Regelgeving en jurisprudentie

24 februari 2017

Aantasting monumentale waarden woning door plaatsen zichtscherm?

In de uitspraak van 8 februari 2017 wordt de vraag aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) voorgelegd of een te bouwen zichtscherm naast een nieuwe weg de monumentale waarden van het daarnaast gelegen monument aantast. Essentieel blijkt wat daarover in het aanwijzingsbesluit is opgenomen. Eerst zal de casus worden geschetst.

De raad van de gemeente Westland maakt door middel van een nieuw bestemmingsplan een verbindingsweg mogelijk tussen de Maasdijk en het Maasdijkplein. Appellant woont naast de beoogde aansluiting van de nieuwe verbindingsweg op de bestaande provinciale weg N220. Het bestemmingsplan voorziet in het realiseren van een zichtscherm op het talud van de N220 ter hoogte van de woning van appellant. Dit om de nadelige effecten van de aansluiting te beperken. Desondanks vreest appellant hinder. Tevens zou het zichtscherm een aantasting van de monumentale waarde van zijn woning vormen, omdat het scherm de woning aan het zicht onttrekt. De raad had volgens appellant daarom voor de vaststelling van het bestemmingsplan advies hierover moeten inwinnen bij de gemeentelijke monumentencommissie.

De ABRvS bekijkt eerst het aanwijzingsbesluit van het gemeentelijke monument. De omschrijving bij de aanwijzing als monument beschrijft namelijk welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermenswaardig zijn. Dit kan ook zichtlijnen omvatten. In het aanwijzingsbesluit worden echter geen monumentale waarden vermeld die betrekking hebben op het zicht op de woning of de ligging van de woning ten opzichte van de omgeving. Dit is in lijn met eerdere rechtspraak van de ABRvS, waaruit eveneens volgt dat het aanwijzingsbesluit wat dat betreft niet ruim mag worden geïnterpreteerd. De ABRvS volgt de gemeenteraad dan ook in zijn stelling dat de monumentale waarden van de woning niet worden aangetast door de plaatsing van het zichtscherm op het talud.

Zie: ABRvS 8 februari 2017, nr. 201606465/1/R6 

Terug naar alle regelgeving en jurisprudentie