DeClerck

Wat is nu precies de omvang van de bescherming van een monument?

De aanwijzing van een monument gaat gepaard met een zogenoemde redengevende omschrijving. Daarin is opgetekend wat maakt dat het object van monumentale waarde is. Zo kan bijvoorbeeld de bouwstijl of de vormgeving van de voorgevel van monumentale waarde zijn. Ook worden boerderijen wel als monument aangewezen omdat deze doen denken aan de vroegere agrarische situatie of dragen Zaanse Huisjes bij aan de herkenbare uitstraling van het gebied. Monumenten komen in alle soorten voor.

Bij de besluitvorming op een aanvraag van een omgevingsvergunning, om bijvoorbeeld het monument gewijzigd te gebruiken, te verbouwen of te slopen, is de redengevende omschrijving leidend. De daarin opgenomen monumentale waarden zullen zoveel als mogelijk bewaard moeten blijven. Tegelijk staat met regelmaat ter discussie wat nu precies wordt beschermd aan het object. Zijn dat alleen de onderdelen die expliciet worden vermeld in de redengevende omschrijving? Of gaat de bescherming verder?

Het uitgangspunt is dat het gehele object als één geheel wordt beschermd door de aanwijzing als monument. Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het beschermd monument hetgeen is dat in de redengevende omschrijving als zelfstandige eenheid wordt genoemd. Wát dan als een zelfstandige eenheid moet worden gezien, wordt bepaald door wat bouwkundig en functioneel een onlosmakelijk geheel vormt. Daarnaast is het privaatrechtelijke onderscheid tussen roerende en onroerende zaken ook van toepassing in het monumentenrecht, aldus de Raad van State.

Dit betekent dat zaken die naar verkeersopvatting onderdeel uitmaken van de hoofdzaak of daarmee zodanig zijn verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht, onderdeel uitmaken van het monument. Deze zaken genieten dus dezelfde bescherming als het monument waartoe zij behoren.

Kortom, een aanwijzing van een object als monument beschermt het gehele object voor zover dit object als zelfstandige eenheid moet worden gezien. Hierdoor is voor activiteiten zoals het gewijzigd gebruik, een verbouwing of sloop van het monument in alle gevallen een omgevingsvergunning vereist. Ook al wordt de activiteit verricht in of aan een deel van het object dat niet specifiek wordt genoemd in de redengevende omschrijving.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

 

Bronnen: ECLI:NL:RVS:2016:2555, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7541 en ECLI:NL:RVS:2005:AU0396

Het geven van een zienswijze op een voorgenomen aanwijzing is essentieel; anders géén beroep.

Als het rijk, de provincie of de gemeente voornemens is een object aan te wijzen als monument, dan is een vooraankondiging van dat voornemen gebruikelijk. U wordt dan in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op de voorgenomen aanwijzing.  Ondanks dat de vooraankondiging informeler aanvoelt dan het uiteindelijke formele aanwijzingsbesluit, is het belangrijk dat u direct al een zienswijze kenbaar maakt. Doet u dit niet, dan mist u de mogelijkheid om bezwaar te maken en uiteindelijk beroep in te stellen tegen het aanwijzingsbesluit. Let op dus!

De vooraankondiging

De vooraankondiging van het voornemen van de aanwijzing bevat veelal de mededeling dat onderzoek wordt gedaan naar de monumentale waarden van het object. Zo wordt de daartoe aangewezen adviescommissie bijvoorbeeld gevraagd daarover te adviseren.

Ook bevat de vooraankondiging doorgaans de mededeling  dat vanaf dát moment op grond van de wet- en regelgeving het object zogenoemde voorbescherming geniet. Dit betekent dat het object al wordt beschermd als ware een monument, tot het moment dat het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit volgt. Het verbod op sloop, wijziging en ontsiering van het object geldt dus al vanaf dat moment.

De brief met het voornemen geeft de termijn voor het kenbaar maken van een zienswijze. Nadat de zienswijze is ontvangen, wordt daarop gereageerd en volgt het daadwerkelijke besluit.

Kenbaar maken van een zienswijze is van groot belang

De fase van de zienswijze heeft een minder formeel karakter dan de fasen van bezwaar en beroep. Tóch is het belangrijk dat u als belanghebbende al tegen de voorgenomen aanwijzing ageert en dus een zienswijze kenbaar maakt. Sterker nog, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in artikel 6:13 dat de bevoegdheid tot het instellen van beroep vervalt als u geen zienswijze kenbaar maakt in de fase van het voornemen. Met andere woorden, in dat geval vervalt uw mogelijkheid op te komen tegen het definitieve aanwijzingsbesluit.

Oók al voelt de fase van het voornemen informeel aan en óók al moet nog daadwerkelijk onderzoek worden gedaan naar de monumentale waarden van het object; het kenbaar maken van een zienswijze is van groot belang.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

Gebruik van een monument in strijd met het bestemmingsplan en de gefaseerde aanvraag van de omgevingsvergunning

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) deed recent een interessante uitspraak over de gefaseerde aanvraag van een omgevingsvergunning. De verschillende onlosmakelijk verbonden activiteiten staan hierbij centraal. Aanleiding om nog eens stil te staan bij deze complexe materie!

In de kwestie waarop deze uitspraak ziet gaat het om het gebruik van een boerderij in strijd met het bestemmingsplan. In plaats van wonen wil de aanvrager de boerderij verhuren als recreatief verblijf. Voor dit gewijzigd gebruik is een omgevingsvergunning aangevraagd.

Tegelijkertijd is de boerderij een rijksmonument. Gewijzigd gebruik van het monument is een afzonderlijke vergunningplichtige activiteit. Hiervoor werd géén omgevingsvergunning gevraagd.

Na de ontvangst van de aanvraag van de omgevingsvergunning heeft het college van B&W de aanvraag behandeld alsof het óók ziet op het gewijzigd gebruik van de boerderij als monument. Omdat het een rijksmonument is, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorgeschreven, in plaats van de reguliere (korte) procedure. Het college zet de uitgebreide voorbereidingsprocedure in gang, naar achteraf oordeel van de ABRvS onterecht.

Op het moment dat de aanvrager meerdere onlosmakelijke activiteiten wil verrichten, geeft artikel 2.7 Wabo de mogelijkheid om éérst voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning aan te vragen. Het zogenoemde gefaseerd aanvragen. Zodoende kan de uitkomst van de eerste omgevingsvergunning worden afgewacht vóórdat een aanvraag voor de andere onlosmakelijke activiteiten wordt gedaan. Daarbij moet vaak uitvoerige onderbouwing worden gegeven, bijvoorbeeld voor het gewijzigd gebruik van het rijksmonument zoals in deze kwestie.

Als gevolg van het gefaseerd aanvragen mocht het college de aanvraag enkel in behandeling nemen als het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Daarop is de reguliere (korte) voorbereidingsprocedure van toepassing. Het college had dus de reguliere voorbereidingsprocedure moeten toepassen, in plaats van de uitgebreide variant.

De ABRvS bevestigt nogmaals dat de activiteit waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft bepaalt of een reguliere of een uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

 

Bron: ECLI:NL:RVS:2019:157

Het verbouwen van een monument en de omgevingsvergunning

Voor een verbouwing is al snel een omgevingsvergunning nodig. Doorgaans beter bekend als de bouwvergunning. De regels stellen bepaalde (eenvoudige) activiteiten vrij van de vergunningplicht. Tegelijkertijd kunt u er bij een meer omvangrijke verbouwing vrijwel vanuit gaan dat een bouwvergunning nodig is. Ook als het pand een monument betreft is dit niet anders.

Sinds enkele jaren regelt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat de omgevingsvergunning meerdere activiteiten kan omvatten. Dit is ook relevant voor de eigenaar van een monument. Náást de bouwvergunning is dan ook een – vaak zo genoemde – monumentenvergunning vereist. In dat geval wordt de omgevingsvergunning dus voor meerdere activiteiten aangevraagd, zowel bouwen als het wijzigen van het monument. Zonder de vergunning is het verboden de activiteiten uit te voeren .

Ten aanzien van de vergunningplicht maakt de wet onderscheid tussen rijksmonumenten en provinciale en gemeentelijk monumenten. Voor het rijksmonument regelt de wet de vergunningplicht voor de volgende activiteiten:

  • Het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument;
  • Het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een zodanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.

Voor het provinciale of het gemeentelijk monument geldt dezelfde vergunningplicht, op de voorwaarde dat dit wordt geregeld in een daartoe strekkende provinciale- of gemeentelijke verordening, doorgaans betiteld als erfgoedverordening of monumentenverordening. Deze verordening speelt dus een belangrijke rol.

Bij de vergunningverlening is de redengevende omschrijving (bij het aanwijzingsbesluit) belangrijk. Daarin is de monumentale waarde van het object omschreven. Ware het niet dat in deze omschrijving vaak niet (voldoende) deugdelijk en kenbaar wordt gemotiveerd wát van het object precies moet worden beschermd en waarom. Terwijl (in artikel 3:46 Awb) een dergelijke motivering wél wordt vereist. Het ontbreken van een dergelijke motivering resulteert bij de rechter vaak (helaas) in de bescherming van het object in zijn totaliteit.

Naast de wet- en regelgeving en redengevende omschrijving, speelt ook het bestemmingsplan een rol in de monumentenzorg en de vergunningverlening daar omheen.

Kortom, bent u van plan bouwactiviteiten te verrichten aan uw monument? Zorg dan in ieder geval dat u de omgevingsvergunning aanvraagt voor álle activiteiten. Dus ook voor het wijzigen van het monument. Zo voorkomt u dat de wijzigingen op een later moment wellicht weer ongedaan moeten worden gemaakt.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

De instandhoudingsplicht van de eigenaar van een monument. Wat betekent dit?

In mijn eerdere blog schreef ik over de vraag wat te doen als uw object als monument wordt aangewezen. Als antwoord daarop noemde ik kort enkele gevolgen van een dergelijke aanwijzing: u ziet zich onder andere geconfronteerd met regels over het gebruik en het wijzigen van het monument. Tegen de aanwijzing staat bezwaar en beroep open, mits u belanghebbende bent.

Wanneer bezwaar en beroep de aanwijzing als monument niet hebben kunnen tegenhouden, dan moet de eigenaar van een monument zich bewust zijn van een aantal verplichtingen. Eén daarvan is de zogenoemde instandhoudingsplicht, die wij in Nederland pas sinds enkele jaren kennen. Voor de eigenaar van een rijksmonument houdt dit in dat op grond van de Monumentenwet 1988 wordt verboden het monument te beschadigen, te vernielen of daaraan het onderhoud te onthouden dat noodzakelijk is voor de instandhouding van het monument. Het laatste verbod verplicht de eigenaar het monument zodanig te onderhouden dat het niet verloren gaat. Oók voor de eigenaar van een provinciaal- of gemeentelijk monument kan deze verplichting bestaan, afhankelijk van de plaatselijke erfgoedverordening.

 

Hoe ver gaat de instandhoudingsplicht?

Met de invoering van de Erfgoedwet in 2015, is de instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten aangescherpt. Het verplicht de eigenaar het monument op zodanige wijze te onderhouden dat instandhouding wordt gewaarborgd.

Omdat de provincies en gemeenten zelf een erfgoedverordening opstellen, zijn deze vrij in de keuze om wel of niet een instandhoudingsplicht hierin op te nemen voor een provinciaal- of gemeentelijk monument. De meeste erfgoedverordeningen bevatten deze verplichting.

Nu de wet- en regelgeving niet veel duidelijkheid geeft over hoe ver de instandhoudingsplicht gaat, is de rechtspraak van belang. Kort gezegd volgt hieruit dat strijd met de instandhoudingsplicht ontstaat als de het monument zodanig wordt verwaarloosd dat het voorbestaan ervan in gevaar komt. Op dat moment kan het bevoegd gezag optreden, door onder last de eigenaar van het monument te bewegen het monument water- en winddicht te maken. Uit de toelichting op de Erfgoedwet is terug te lezen dat van het bevoegd gezag evenwel mag worden verwacht dat met een dergelijke last niet wordt gewacht totdat een ‘alomvattende restauratie’ nog de enige oplossing is.

 

Handhaving middels het Bouwbesluit 2012

Los van de Erfgoedwet en de decentrale erfgoedverordeningen, kan het bevoegd gezag ook handhaven op basis van het Bouwbesluit 2012. Dit bevat niet zozeer een instandhoudingsplicht voor monumenten, maar wél technische bouwvoorschriften. Er is de nodige rechtspraak voorhanden waarin de rechter handhavend optreden door het bevoegd gezag op basis van het Bouwbesluit 2012 heeft toegestaan. Dergelijk optreden richtte zich op de technische staat van het bouwwerk, zoals het metselwerk, de beglazing of het zelfs het verfwerk.

 

Financiële last van de instandhoudingsplicht

De instandhoudingsplicht kan een onwenselijke financiële last meebrengen. Met de aanscherping van de instandhoudingsplicht, wordt in de toelichting op de Erfgoedwet opgemerkt dat een aantal stimulerende instrumenten voorhanden is om de financiële gevolgen dragelijker te maken. Eén van deze instrumenten, de fiscale monumentenaftrek, is sinds 1 januari 2019 echter niet langer beschikbaar. De eigenaar van een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument is aangewezen op het subsidiestelsel.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

Wie is belanghebbende bij de aanwijzing van een object als monument?

Als een object wordt aangewezen als monument, dan kan tegen dat besluit bezwaar en beroep worden aangetekend. Degene die bezwaar en beroep instelt, moet wél kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft zich hierover uitgelaten, in een interessante uitspraak over een bunker uit de Tweede Wereldoorlog, nu in eigendom van de gemeente Amstelveen.

 

Belanghebbende in het monumentenrecht
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een aanwijzingsbesluit van een object als monument, in principe alleen de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het object is aan te merken als belanghebbende. De ABRvS merkt daarbij op dat omwonenden, huurders, andere gebruikers van het betreffende object, geen belanghebbende kunnen zijn bij een dergelijk aanwijzingsbesluit. Dit heeft te maken met het feit dat de aanwijzing als monument niet de bestemming van het object wijzigt. Het levert daarmee dus niet snel een belang op voor anderen dan de eigenaar of zakelijk gerechtigde. Wijziging van (de bestemming van) een object, gebeurt immers bij andersoortige besluiten.

 

Vereniging ‘Sloop de Bunker’ als belanghebbende

In deze kwestie meent de vereniging Sloop de Bunker óók belanghebbende te zijn bij de aanwijzing van de bunker als monument. Het doel van de vereniging is namelijk onder andere het nastreven van de sloop van de bunker. De aanwijzing beschermt de bunker tegen de eventuele toekomstige sloop van de bunker. Daarmee wordt het doel van de vereniging doorkruist. De vraag deed zich voor of de vereniging daardoor ook als belanghebbende kan worden beschouwd.

Ondanks de hoofdregel dat eigenlijk alleen de eigenaar of zakelijk gerechtigde belanghebbende kan zijn bij een aanwijzingsbesluit, besloot de ABRvS dat de vereniging Sloop de Bunker inderdaad óók als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het bezwaar en beroep van de vereniging moet door de gemeente Amstelveen worden betrokken in de besluitvorming.

Deze uitspraak wijzigt weliswaar niet zozeer de hoofdregel, maar is daardoor niet minder interessant. Het toont aan dat zich tóch een situatie kan voordoen waarin – naast de eigenaar of zakelijk gerechtigde – een andere partij belanghebbende kan zijn bij de aanwijzing van het monument in spe.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

Afschaffing monumentenaftrek? De Wet fiscale maatregel rijksmonumenten veroorzaakt onrust.

Op 16 oktober 2018 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel “Wet fiscale maatregel rijksmonumenten” aangenomen. Hierin wordt voorgesteld dat de fiscale monumentenaftrek – al met ingang van 2019 – moet worden omgezet in een subsidie. Dit heeft potentieel verstrekkende gevolgen, zowel voor eigenaren van rijksmonumenten als voor projectontwikkelaars die zich bezig houden met de renovatie en verduurzaming van rijksmonumenten. Hoe zit dit en wat is de stand van zaken van deze maatregel?

 

Monumentenaftrek voor rijksmonumenten

Tot op heden zijn de kosten voor onder andere het verbouwen, verduurzamen en onderhouden van een rijksmonument onder omstandigheden fiscaal aftrekbaar. Dit maakt het houden van een dergelijk monument voor de eigenaar financieel aanzienlijk dragelijker. De monumentenaftrek is niet alleen van groot belang voor eigenaren, maar ook voor projectontwikkelaars. Juist mede vanwege deze fiscale tegemoetkoming, wordt gestimuleerd dat rijksmonumenten zo veel mogelijk bewaard blijven en projectmatig optimaal geschikt gemaakt kunnen worden voor gebruik door bedrijven, die zich willen vestigen in een prachtig en duurzaam monument.

Daar waar de kosten nu nog fiscaal kunnen worden afgetrokken, moet dit volgens het wetsvoorstel worden omgezet naar een subsidie. De voorspelbaarheid van de fiscale monumentenaftrek, kent een subsidieregeling niet. Het is op voorhand minder gemakkelijk vast te stellen wat exact de subsidie zal zijn. Ook zal bij financiering een aanspraak op een subsidie veelal niet worden meegenomen door een financier, terwijl dat met de fiscale monumentenaftrek doorgaans wél het geval is.

 

Naar een subsidieregeling

Minister Van Engelshoven schrijft in haar brief aan de Tweede Kamer, “Erfgoed Telt (..)”, onder meer dat met de subsidieregeling de kwaliteit van de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden beter zullen worden gewaarborgd. Zij koppelt dit aan de mogelijkheid de onderhoudswerkzaamheden aan rijksmonumenten te kunnen toetsen en de beschikbare middelen in de monumentenzorg doelmatiger te kunnen besteden.

In de wereld van de monumentenzorg zijn signalen waarneembaar, dat deze maatregel de rem zet op de stimulering van de investering in rijksmonumenten. De zorg bestaat dat de afschaffing van de monumentenaftrek dermate vergaande financiële gevolgen zal hebben, dat eigenaren en projectontwikkelaars worden vertraagd of zelfs worden verhinderd in hun plannen.

 

Naar de Eerste Kamer

Naar verwachting zal het wetsvoorstel begin december van dit jaar nog plenair door de Eerste Kamer worden behandeld. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, dan zal de maatregel al met ingang van 2019 moeten ingaan. Hierdoor ontkomen projectontwikkelaars er niet aan nu al te anticiperen op de voorgestelde maatregelen.

 

Alwin Farahani, advocaat monumentenrecht

« Vorige pagina