DeClerck

Blijft bijbehorende tuin gemeentelijk monument na aanwijzing gebouwen tot rijksmonument?

In haar uitspraak van 10 november 2016 oordeelt de rechtbank Den Haag over een omgevingsvergunning ten behoeve van het realiseren van zes stadsvilla’s in een voormalig militair ziekenhuis en rijksadministratiekantoor te Gouda. De buren kunnen zich niet vinden in de aan te brengen parkeerplaatsen in de tuin tegenover hun eigen woning.

Het vroegere ziekenhuis was eerder als gemeentelijk monument aangewezen, acht jaar later als rijksmonument. De buren stellen dat de aanwijzing tot gemeentelijk monument betrekking had op het gehele kadastrale perceel. De aanwijzing tot rijksmonument ziet echter alleen op de gebouwen. Dit betekent volgens hen dat de tuin nog steeds een gemeentelijk monument is en een extra activiteit had moeten worden vergund voor het onderhavige project. De vergunning zou daarom niet in stand kunnen blijven.

Ingevolge de lokale monumentenverordening wordt een aanwijzing tot gemeentelijk monument geacht te zijn ingetrokken wanneer hetzelfde object als rijksmonument wordt aangewezen. Volgens de rechtbank biedt de tekst van de verordening echter geen aanknopingspunten voor de stelling van de buren dat de intrekking zich zou beperken tot de onderdelen van de aanwijzing tot rijksmonument. De gehele aanwijzing wordt dus geacht te zijn ingetrokken, inclusief tuin.

Een aanwijzing tot gemeentelijk monument staat dus op zichzelf en is niet in onderdelen op te splitsen. Onder de Monumentenwet 1988 – die in deze zaak nog van toepassing is – was de standaardrechtspraak dan ook dat niet het kadastrale perceel de grondslag is voor bescherming van wat zich daarop bevindt, maar hetgeen dat als zelfstandige eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving. Een aanwijzing ziet zodoende op hetgeen bouwkundig en functioneel één onlosmakelijk geheel vormt. Het deels laten voortbestaan van de gemeentelijke monumentenstatus, zou niet stroken met deze benadering.

Tot slot heeft het college van B&W van Gouda ter zitting medegedeeld dat de tuin ook niet afzonderlijk als gemeentelijk monument zal worden aangewezen. Er ontbrak dus geen omgevingsvergunningplichtige activiteit en de vergunning blijft intact.

Zie: Rechtbank Den Haag 29 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13461

Wat als het bestemmingsplan niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit?

In onderhavige zaak wilde appellant absoluut niet dat zijn boerderij voorkomt op de lijst van ‘Monumenten en cultuurhistorische waardevolle panden’, zoals deze als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen. Een tegenstrijdigheid tussen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het uiteindelijke bestemmingsplan zelf, gaf de doorslag.

Eerder verklaarde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) de beroepsgrond van appellant tegen opname in de lijst bij het (voorgaande) bestemmingsplan ongegrond. Blijkens de inventarisatie die is uitgevoerd door de Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek in opdracht van de provincie zou de boerderij wel ‘een zekere mate van cultuurhistorische waarde’ hebben. De voormelde lijst is gebaseerd op deze inventarisatie. De gemeenteraad voegt hier aan toe dat opname in de lijst enkel voordelen voor een eigenaar zou hebben.

Appellant zag dit kennelijk anders en geeft niet op. In een amendement, dat met de vaststelling van het herziene bestemmingsplan door de gemeenteraad is aanvaard, wordt de verwijdering uit de lijst enkele jaren later uiteindelijk wel gehonoreerd. Het perceel is echter niet van de lijst verwijderd in het bestemmingsplan zelf. De gemeenteraad verweert zich met de stelling dat het verwijderen uit de lijst enkel zin heeft als de provincie overeenkomstig het perceel verwijderd uit haar lijst.

De ABRvS stelt echter vast dat de boerderij als ‘categorie C’ cultuurhistorisch waardevol is aangemerkt. Tevens dat de provincie geen beperkingen aan de gemeenteraad heeft opgelegd die het in acht moet nemen bij de vaststelling van bestemmingsplan voor deze categorie. Het staat de gemeenteraad wat dat betreft dus vrij om de boerderij als cultuurhistorische waardevol pand aan te wijzen in het bestemmingsplan, maar ook om daarvan af te zien. Het amendement kon dus wel worden doorgevoerd in het bestemmingsplan zelf. Door dit na te laten acht de ABRvS het plan in strijd met de rechtszekerheid. Dit deel van het plan wordt dan ook vernietigd. De boerderij maakt als gevolg daarvan geen onderdeel meer uit van de lijst.

Deze zaak toont weer aan hoe erfgoedregelgeving van diverse overheidslagen in elkaar door kunnen werken. Dit maakt elke zaak uniek. Het loont tevens de overwegingen bij de vaststelling van een bestemmingsplan te vergelijken met het plan zelf.

Zie: ABRvS  14 december 2016, nr. 201508818/1/R2

Gedeeltelijke slopen monument of leegstand en verloedering?

Monumentale gebouwen met cultuurhistorische waarden worden extra beschermd wanneer zij een monumentenstatus hebben. Dit betekent echter niet dat dergelijke gebouwen nooit meer mogen worden gesloopt. Dit volgt ten eerste al uit het vergunningstelsel van de Wabo: er mag alleen niet zonder vergunning worden gesloopt. De benodigde vergunning mag vervolgens slechts worden verleend indien het belang van de monumentzorg zich daar niet tegen verzet. Een open norm en dus geen simpele optelsom.

In een kwestie waar de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 oktober 2016 uitspraak over deed, staat de gedeeltelijke sloop centraal van een studiogebouw dat voorheen door de KRO werd gebruikt. Het studiogebouw is in 2002 als rijksmonument aangewezen. De gemeente Hilversum heeft nu een vergunning verleend voor de sloop van de geluidstudio daarvan en de nieuwbouw van een appartementencomplex.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed adviseert negatief, omdat er door de sloop een te groot deel van monumentale waarden van het studiogebouw verloren zou gaan. Er zou tevens geen bouwkundige noodzaak zijn om te slopen. Volgens de verzoekers die het sloopbesluit geschorst willen zien, is er dan ook ten onrechte van dit advies afgeweken.

De gemeente heeft zich echter ook laten adviseren door haar eigen monumentencommissie. Deze commissie erkent dat er weliswaar monumentale waarden verloren gaan, maar dat uit een inventarisatie is gebleken dat er relatief weinig oorspronkelijk materiaal aanwezig is. De gemeente laat uiteindelijk de herontwikkeling van het gehele perceel zwaarder wegen dan het behoud van de historische waarden.

Belangrijk argumenten hiervoor zijn dat door de sloop er ondergronds geparkeerd kan worden, wat ten goede komt van het parkachtige karakter bovengronds. De combinatie behoud en ondergronds parkeren zou daarbij onevenredig kostenverhogend zijn. Veel kenmerken van de geluidstudio zouden bovendien ook bij transformatie verloren gaan. Het nieuwbouwplan voorziet daartegen ook in het behoud van de stedenbouwkundige en architectonische hoedanigheid en daarmee het omroepverleden van het studiogebouw. Een belangrijk aspect, ook voor de voorzieningenrechter, is dat de gemeente de leegstand van de afgelopen jaren, de sociale onveiligheid en dreigende verkrotting heeft mee laten wegen. Alsmede de ondernomen maar onsuccesvolle herontwikkelingspogingen van de afgelopen jaren.

De voorzieningenrechter schorst de vergunning niet, omdat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de belangenafweging onzorgvuldig is geweest. Hieruit kan worden opgemaakt dat erfgoedbehoud soms een balanceeroefening is. Blind vasthouden aan geen enkele wijziging of sloop, kan verloedering betekenen waar het gehele monument ook niet bij is gebaat. In voorkomende gevallen mag een gemeente na een zorgvuldige belangenafweging beslissen dat een bepaalde ingreep onder aan de streep niet slecht voor het monument is. Voor eigenaren die de kosten van onderhoud moeten dragen, biedt dit perspectief.

Zie: ABRvS 13 oktober 2016, nr. 201606759/2/A1

Het toetsingskader bij een verzoek tot beëindiging monumentenstatus

Een eigenaar van een rijksmonument verzoekt de minister om doorhaling van de inschrijving van zijn woning in het register van beschermde monumenten. De minister weigert dit. In hoger beroep  maakt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) duidelijk hoe zij dit besluit van de minister toetst.

Het toetsingskader
Ten eerste memoreert de ABRvS dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft voor wat betreft de doorhaling. Dit betekent dat de minister beslissingsruimte heeft. De ABRvS toetst dus terughoudend.

Vervolgens legt de bestuursrechter uit dat de beoordeling van een verzoek om doorhaling in twee stappen uiteenvalt. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of de woning nog steeds als een monument kan worden aangemerkt. Dit houdt niet in dat de aanwijzing op zichzelf opnieuw wordt beoordeeld, maar of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die de aanwijzing in een ander daglicht plaatsen.

Als de woning nog steeds als monument kan worden aangemerkt, is de laatste stap een belangenafweging. Namelijk tussen het algemene belang bij het behoud van de woning als monument en de door de eigenaar gestelde belangen bij beëindiging van de monumentenstatus.

Toepassing op de casus
De eigenaar is sinds 1982 eigenaar van de woning die in 2001 als rijksmonument is aangewezen. De eigenaar had toen geen bezwaar gemaakt. Het aanwijzingsbesluit is dus zogenaamd rechtens onaantastbaar. De eigenaar kan daarom de totstandkoming van de aanwijzing in deze procedure niet meer ter discussie stellen.

De ABRvS oordeelt vervolgens dat de minister afdoende onderzoek heeft gedaan naar de monumentale waarden van de woning na het aanwijzingsbesluit. Met meerdere ingewonnen adviezen als motivering mocht de minister zich dan ook op het standpunt stellen dat de monumentale waarden nog steeds aanwezig zijn. Het door de eigenaar benoemde achterstallig onderhoud doet geen afbreuk aan de gaafheid van het monument in architectonische zin.

In het kader van de belangafweging voert de eigenaar aan dat hij niet meer in staat is de onderhoudskosten te betalen en dat de woning vanwege de monumentenstatus onverkoopbaar is. De minister betwist de relatie tussen dit financiële belang en de monumentenstatus.

De ABRvS oordeelt dat de minister terecht mee heeft laten wegen dat er ook onderhoudskosten zijn voor de woning zonder de monumentenstatus. De eigenaar had nagelaten te concretiseren wat de kosten zijn voor het onderhoud van de monumentale waarden van de woning. Ook de enkele stelling dat er geen gegadigden meer zijn gevonden voor koop van de woning sinds de aanwijzing van de monumentenstatus, vindt de ABRvS onvoldoende voor de conclusie dat de woning onverkoopbaar is door de monumentenstatus. Het verzoek van de eigenaar miste kortom een overtuigende onderbouwing. De weigering blijft dus zonder meer in stand.

De vraag is ten slotte of de lessen uit deze uitspraak voor de praktijk nog relevant zijn. Dit, omdat sinds de invoering van de Erfgoedwet belanghebbenden formeel niet meer een verzoek om doorhaling van een rijksmonument kunnen doen. Tegen de weigering op een huidig verzoek staat daarom geen bestuursrechtelijke rechtsingang meer open, omdat de weigering niet meer als appellabel besluit wordt gekwalificeerd. Dit kan anders zijn voor gemeentelijke monumenten.

Zie: ABRvS 28 september 2016, nr. 201601880/1/A2

 

Herbestemming monument mogelijk als het bijdraagt aan instandhouding

Om het behoud van een monument mogelijk te maken, is soms herbestemming noodzakelijk. Dit geldt ook voor molen De Nachtegaal in de Beemster. Eerder is deze molen al enkele meters verplaatst. De Stichting tot behoud van deze molen wil nu, in strijd met zijn maatschappelijke bestemming, de molen ook voor aanvullende commerciële doeleinden gebruiken.

Op 16 november 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in hoger beroep uitspraak gedaan in de zaak over deze herbestemming. De vraag die centraal staat, is of het aangevraagde gebruik in strijd is met een goede ruimtelijke ordening: de open norm die in het omgevingsrecht voor dit soort vergunningen geldt.

De ABRvS laat de herbestemming in stand met de volgende motivering. De herbestemming is blijkens de aanvraag vergund om extra inkomsten te generen die essentieel zijn voor de instandhouding van de molen als Rijksmonument. Deze inkomsten zullen namelijk worden gebruikt voor het onderhoud van de molen. De beperking van de maatschappelijke functie is dat geval in redelijkheid aanvaardbaar.

Deze uitspraak maakt duidelijk dat het gebruik van een monument in strijd met het bestemmingsplan toelaatbaar wordt geacht, indien het beoogde gebruik bijdraagt aan de instandhouding van een monument. Zo kan een monument met een maatschappelijke functie commercieel worden uitgebaat, als de inkomsten die daaruit voortvloeien noodzakelijk zijn voor het behoud van het monument. Op deze wijze kan het monument (beter) in zijn eigen instandhouding voorzien, wat de monumentenzorg ten goede komt.

Zie: ABRvS 16 november 2016, nr. 201504854/1/A1

Bestuursrechter corrigeert toepassing relativiteitsbeginsel

Op 1 januari 2013 is met artikel 8:69a het relativiteitsbeginsel in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingevoerd. Dit beginsel werpt een extra procesrechtelijke drempel op tijdens beroepsprocedures bij de bestuursrechter. Op grond hiervan vernietigt de bestuursrechter namelijk niet een besluit wanneer de norm waarop een belanghebbende zich beroept, kennelijk niet geschreven is om zijn belangen te beschermen.

Zo oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 maart 2013 dat een appellant geen beroep kon doen op de normen uit de Monumentenwet 1988. Deze normen strekken tot bescherming van de monumentale waarden van als beschermd monument aangewezen panden. Het feitelijk belang waarin appellant in deze zaak dreigt te worden geraakt – het commerciële belang bij het behoud van zijn bedrijfslocatie – is geen belang dat valt onder het beschermingsbereik van de normen uit de Monumentenwet en evenmin een belang dat verweven is met de algemene belangen die de Monumentenwet beoogt te beschermen.

De ABRvS heeft op 16 maart 2016 een belangrijke uitspraak gedaan over dit relativiteitsbeginsel. Volgens haar dient de bestuursrechter de toepassing van artikel 8:69a Awb te corrigeren. De schending van een norm die niet de bescherming beoogt van de belangen van een belanghebbende, kan dan niet op zichzelf tot vernietiging leiden. Het kan echter wel bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Helemaal nieuw is deze correctie niet. Zij bestond al in het civiele recht met betrekking tot het relativiteitsbeginsel, zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek: de zogenaamde correctie Langemeijer. Belangrijk voor de ABRvS was dan ook dat de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8:69a Awb de toepassing van de correctie Langemeijer niet heeft uitgesloten. Tevens volgt zij hiermee het advies van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven op.

Voor de procederende burger is dit goed nieuws. Het relativiteitbeginsel staat niet meer in weg aan de vernietiging van een besluit wanneer er concrete verwachtingen zijn gewekt dat men beschermd zou worden door bepaalde normen. Of wanneer men in vergelijkbare gevallen aan normen moet voldoen die vergelijkbaar zijn aan de normen waarop een beroep wordt gedaan.

Zie: ABRvS 16 maart 2016, 201402641/1/R1 

Almelo weigert ten onrechte aanwijzing voormalig stadhuis als monument

Op basis van gemeentelijke erfgoedverordeningen kan het mogelijk zijn om een aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument aan te vragen. Dit in tegenstelling tot de aanwijzing van rijksmonumenten. Een dergelijk verzoek is ten aanzien van het voormalig stadhuis te Almelo ingediend door de verenigingen Bond Heemschut en het Cuypersgenootschap. De gemeente Almelo, die ook eigenaar van het stadhuis is, wijst dit verzoek af. De verenigingen gaan hiertegen in beroep bij de rechtbank Overijssel.

Beoordeling aanvraag aanwijzing
De rechtbank overweegt ten eerste dat het zorgvuldigheidsbeginsel van toepassing is op de beoordeling van de aanvraag. Dit houdt in dat het college van B&W op zorgvuldige wijze kennis dient te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze belangen dient het college vervolgens op een zorgvuldige wijze tegen elkaar af te wegen.

De feiten en belangen die in deze zaak aanwezig waren, zijn aan de ene kant het rapport van Het Oversticht met betrekking tot de cultuurhistorische waarden. In dit rapport wordt geconcludeerd dat het gebouw zeker monumentale waarden bezit, dus in aanmerking komt voor aanwijzing.

Aan de andere kant brengt de gemeente als eigenaar in dat zij haar handen vrij wil houden, zolang geen duurzame en financieel haalbare invulling van het gebouw is gevonden. De gemeente wil namelijk niet gebonden zijn aan het vergunningenstelsel van de Erfgoedverordening, tevens zou het gebouw als monument te veel drukken op de begroting.

Een verweer dat particuliere eigenaren zelf ook vaak naar voren brengen, maar ook bijna even zo vaak door een gemeente terzijde wordt geschoven. Nu het gebouw in de eigen vastgoedportefeuille zit, is de gemeente kennelijk iets minder kritisch. Echter niet kritisch genoeg, aldus de rechtbank.

Gebrekkige feitenvergaring
Zo plaatste het college van B&W slechts kanttekeningen bij de conclusies van het rapport van Oversticht. Het had dus zelf geen advies hierover ingewonnen. De rechtbank vindt dit op zichzelf al in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college mag op deze wijze niet het advies van een ingeschakelde deskundige terzijde stellen. Zeker niet nu ook niet is gebleken dat dit advies qua totstandkoming of inhoud gebreken vertoont.

Gebrekkige belangenafweging
Nu het college zich geen oordeel heeft gevormd over de monumentale waarde van het stadhuis, kan het dit belang ook niet deugdelijk afwegen tegen de negatieve gevolgen van een monumentenstatus voor herontwikkeling op koop. Met een verwijzing naar de uitspraak van 24 december 2014 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat de rechtbank vervolgens nog verder in op de belangenafweging.

Om de negatieve gevolgen van een monumentenstatus mee te laten wegen bij de aanwijzing, dient de eigenaar deze gevolgen concreet te maken en genoegzaam te motiveren. Volgens de rechtbank dient aannemelijk gemaakt te worden dat het gebouw, als daarin een monumentenstatus wordt toegekend, vrijwel niet is te exploiteren, verhuren of verkopen, of dat bouwkundige oplossingen voor herbestemming onbetaalbaar zijn. Indien er echter alternatieve mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het gebouw, komt hieraan in het kader van de belangenafweging grote betekenis toe.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de argumenten van de gemeente als eigenaar niet voldoende zijn hiervoor en dat de gemeente als beoordelaar dit in haar belangafweging had moeten laten terugkomen. Dat het college de door de gemeenteraad gestelde termijn voor het indienen van ontwikkelinitiatieven niet heeft afgewacht, heeft hier waarschijnlijk ook niet positief aan bijgedragen.

De rechtbank vernietigt daarom het besluit van het college van B&W van de gemeente Almelo om het voormalige stadhuis niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. De gemeente moet beter haar huiswerk doen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Zie: Rechtbank Overijssel 25 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:648

Aanwijzing beschermde rijksmonumenten niet afdwingbaar

Voorheen was het mogelijk bij de minister een aanvraag tot aanwijzing van een beschermd rijksmonument in te dienen. Deze mogelijkheid is uit de wet verdwenen. De mededeling van de minister dat er geen mogelijkheid bestaat een kapel te Maastricht als beschermd monument aan te wijzen, is daarmee geen besluit waartegen rechtsbescherming openstaat. De Stichting die tegen deze beslissing van de minister procedeerde, ving bot bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), die de minister in het gelijk stelde.

De minister stelde in de procedure dat de brief slechts informerend was bedoeld. De minister heeft namelijk enkel willen uitleggen dat het bestand aan gebouwde rijksmonumenten van vóór 1940 voldoende representatief is en hij slechts in uitzonderingsgevallen nog tot aanwijzing zal overgaan. Gelet hierop heeft de minister medegedeeld dat het niet in de lijn der verwachtingen ligt dat de minister in dit geval een aanwijzingsprocedure zal starten. Bovendien is de kapel al eerder beoordeeld en bewust niet aangewezen als beschermd monument, plus er zijn geen nieuwe inzichten op dit punt.

De Stichting Drukkerij Museum (De Stichting) kan zich niet vinden in dit beleid, maar loopt tegen een procesrechtelijke drempel op. Het startpunt van een bestuursrechtelijke procedure is namelijk een besluit: “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke beslissing” – artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Specifiek met betrekking tot besluiten die men kan aanvragen, geldt dat de afwijzing daarvan ook een besluit is. Nu is de vraag of de genoemde brief van de minister te kwalificeren is als een besluit en er daarmee een opening voor een procedure bestaat.

Kortweg overweegt de ABRvS dat de Monumentenwet 1988 geen mogelijkheid bevat om een aanwijzing tot beschermd rijksmonument aan te vragen. Nu het niet mogelijk is een besluit aan te vragen, kan er gelet op de systematiek ook geen aanvraag worden afgewezen. Een verzoek richting de minister om een gebouw als beschermd monument aan te wijzen, is dus geen ‘aanvraag’ in de zin van de wet. De brief in reactie op het verzoek, is daarmee geen ‘afwijzing van de aanvraag’ en daarom geen besluit in de zin van de Awb. De Stichting is daarom niet-ontvankelijk in de procedure. Het bezwaar van de Stichting wordt dan niet meer op inhoudelijke gronden beoordeeld.

Tot 1 januari 2009 was het overigens nog wel volledig mogelijk om aanwijzing van beschermde rijksmonumenten aan te vragen. Per deze datum was dit niet meer mogelijk voor gebouwde monumenten van vóór 1940. De aanvraagprocedure is op 1 januari 2012 geheel komen te vervallen, met de wetswijziging als gevolg van modernisering van de monumentenzorg. Volgens de wetsgeschiedenis vanwege de al uitgevoerde inventarisaties en de administratieve lastenverlichting die het met zich meebrengt.

Tegenwoordig worden rijksmonumenten dus nog slechts ambtshalve aangewezen als beschermd monument. Belanghebbenden kunnen enkel suggesties indienen bij de minister, maar bij het niet starten van een aanwijzingsprocedure hebben zij dus geen toegang tot de bestuursrechter. In de aankomende Erfgoedwet zal dit – vooralsnog – niet anders zijn. Bij gemeentelijke monumenten kan dit echter wel verschillen. Dit is namelijk afhankelijk van de lokale monumentenverordening, die een aanvraagprocedure en daarmee gepaarde rechtsbescherming wel mogelijk kan maken.

Zie: ABRvS 30 september 2015, nr. 201409188/1/A2

Risico op schade aan monumenten geen grond voor afzien gaswinning

Op 18 november heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een uitspraak gedaan over het instemmingsbesluit met betrekking tot de gaswinning door de NAM in Groningen. De ABRvS oordeelt dat de minister niet afdoende heeft gemotiveerd waarom een verdere beperking van de gaswinning niet mogelijk is. Uit onderzoek volgt namelijk dat door minder gas te winnen het risico op aardbevingen vermindert. Bij het bepalen van het maximale winningsniveau had de minister geen goede verklaring waarom uitgegaan is van een relatief koud jaar. De ABRvS bepaalt daardoor bij wijze van voorlopige voorziening dat het maximale winningsniveau in beginsel gelijk is aan het benodigde gas voor een qua temperatuur gemiddeld jaar. Tevens mag er voorlopig in en rondom Loppersum geen gas worden gewonnen, omdat daar het aardbevingsrisico het grootst is.

Een aantal ingediende beroepsgronden in bovengenoemde procedure zag specifiek op de in het gaswinningsgebied gelegen monumenten. De appellanten stelden op dit punt voornamelijk dat de NAM door de gaswinning in strijd met artikel 11, lid 1, van de Monumentenwet 1988, dan wel zonder een krachtens artikel 2.1, lid 1, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vereiste vergunning, monumenten zou beschadigen. In deze artikelen is respectievelijk voorgeschreven dat het verboden is beschermde monumenten te beschadigen en zonder vergunning activiteiten aan een monument te verrichten die het monument kunnen aantasten. Appellanten stellen in dit verband met een verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 28 april 2010, dat deze artikelen ook van toepassing zijn op handelingen buiten het monument, zoals gaswinning.

Vaststaat dat de minister in het kader van de instemming met het winningsplan geen specifiek onderzoek heeft gedaan naar de effecten van aardbevingen op monumenten. Wel is duidelijk dat de monumenten schade kunnen oplopen. De ABRvS overweegt dat dit risico bij de instemming met het winningsplan dient te worden meegewogen.

Anders dan appellanten betogen, dienen de genoemde artikelen volgens de ABRvS echter niet zo strikt te worden uitgelegd. Artikel 11, lid 1, Monumentenwet 1988 heeft naar tekst en strekking betrekking op het doelbewust beschadigen of vernielen van een concreet monument. De parlementaire geschiedenis geeft ook geen aanknopingspunten om dit artikel zo extensief uit te leggen, dat het uitvoeren van economische activiteiten die het risico inhouden dat onbedoelde en nog niet op voorhand vast te stellen schade kan ontstaan aan monumenten, verboden zou zijn. De gaswinning door de NAM is verder als zodanig ook geen activiteit die gericht is op het slopen of verstoren van een monument. Er bestaat voor de minister op grond hiervan dus geen verplichting om vanwege het risico op schade aan monumenten af te zien van instemming met het winningsplan.

Er zijn in het instemmingsbesluit wel maatregelen getroffen door een versterkingsoperatie te regelen. Met de provincie en gemeenten heeft de minister specifiek met het oog op monumenten bovendien een akkoord gesloten over herstel en preventie inzake cultureel erfgoed. Hierbij zullen ook verschillende private partijen worden betrokken. De ABRvS constateert ten slotte dan ook dat de minister in zijn afweging het monumentenbelang heeft betrokken.

De aanwezigheid van monumenten moet kortom in voorkomende gevallen in de belangenafweging worden meegenomen. Preventieve maatregelen met betrekking tot cultureel erfgoed zijn dan aan te bevelen. Economische activiteiten, zoals gaswinning, die niet doelbewust gericht zijn op het beschadigen, vernielen, slopen of verstoren van een concreet monument, zijn echter op grond van de verbodsbepalingen in de Monumentenwet 1988 en Wabo niet bij voorbaat verboden.

Zie: ABRvS 18 november 2015, nr. 201501544/1

Schadevergoedingsprocedure na aanwijzing monument

Een fabrikantenvilla met aangebouwd koetshuis te Winterswijk wordt door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen als beschermd rijksmonument. De eigenaar van de villa stelt hierdoor schade te lijden en dient een schadeverzoek in bij de bestuursrechter.

De eigenaar had echter het procesrecht bij schadevergoeding niet goed voor ogen. Dit is ook niet zo vreemd, aangezien de regels met betrekking tot overheidsaansprakelijkheid complex zijn. Deze regels zijn bovendien twee jaar geleden ingrijpend gewijzigd.

In eerste aanleg acht de rechtbank zich om twee redenen niet bevoegd. Ten eerste omdat de eigenaar niet heeft doorgeprocedeerd tegen het aanwijzingsbesluit, zodat volgens het leerstuk van de formele rechtskracht dit besluit voor rechtmatig gehouden moet worden. Hierdoor staat niet vast dat de schade die de eigenaar stelt te lijden het gevolg is van een onrechtmatig besluit, zodat niet wordt voldaan aan een belangrijk vereiste bij een bestuursrechtelijk schadeverzoek.

Ten tweede verzoekt de eigenaar om meer dan € 25.000 schadevergoeding. In zaken waar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de hoogste bestuursrechter is, zoals bij de aanwijzing van een beschermd monument, geldt dat de bestuursrechter slechts bevoegd is van een schadeverzoek kennis te nemen indien de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt. Bij een hoger gevorderd schadebedrag is de civiele rechter bevoegd.

Gelukkig voor de eigenaar vond de ABRvS tijdens het hoger beroep nog een eerder verzoek om schadevergoeding aan de minister en een reactie van de minister hierop. Deze reactie is een besluit waartegen de eigenaar bezwaar had kunnen indienen, maar de wettelijk vereiste rechtsmiddelenclausule ontbrak, zodat de eigenaar dit wellicht ook niet wist. Gelet op het ontbreken van deze clausule en op basis van het oude schadevergoedingsrecht, dat ten tijde van dit eerste verzoek nog gold, had het huidige schadeverzoek volgens de ABRvS als bezwaarschrift moeten worden gekwalificeerd en moet het alsnog in behandeling worden genomen door de minister.

Alleen al vanwege het procesrecht is het kortom raadzaam om ook in een bestuursrechtelijke procedure u bij te laten staan door een advocaat, zodat u geen kostbare procesrechtelijke fouten maakt.

Zie: ABRvS 5 augustus 2015, nr. 201410390/1/A2

« Vorige paginaVolgende pagina »