DeClerck

Als redengevende omschrijving achterhaald is, dient monumentenstatus ingetrokken te worden

Wanneer een monument is aangewezen als beschermd monument, betekent het niet dat deze bescherming tot in lengte der dagen zal blijven bestaan. Zo blijkt maar weer uit de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam over een gemeentelijk monument in de gemeente Goeree-Overflakkee.

Eisers hadden aan de gemeente gevraagd om de gemeentelijke monumentenstatus van hun pand in te trekken, omdat zij van mening waren dat deze status niet meer behouden kon blijven na het verbouwen van het pand. De gemeente was het niet met eisers eens en wees het verzoek af op basis van het advies van de monumentencommissie.

Hoewel de gemeente beoordelingsvrijheid toekomt bij de aanwijzing van een monument en zij af mag gaan op het advies van de monumentencommissie, moet de motivering wel deugdelijk zijn. De bestuursrechter toetst slechts marginaal, maar toetst in die marge wel degelijk. Zo vond de bestuursrechter in de onderhavige zaak de advisering van de monumentencommissie op belangrijke onderdelen onduidelijk, zodat de gemeente haar motivering niet op dat advies had mogen baseren.

De kern van de zaak was dat de redengevende omschrijving bij de aanwijzing van een monument leidend is voor de beschermde status. In deze zaak was het pand zodanig gewijzigd, waarvoor overigens wel steeds vergunningen zijn verleend, dat de redengevende omschrijving zo goed als volledig achterhaald was. De reden om het monument te beschermen verviel hiermee.

De gemeente kreeg nog de kans om haar besluit beter te motiveren, maar slaagde daar niet in. Mede omdat de monumentencommissie haar eerdere advies niet wilde herzien. De bestuursrechter trok zijn conclusies en voorzag zelf in de zaak en trok de beschermende monumentenstatus van het pand in.

Zie: Rechtbank Rotterdam, 24 oktober 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:7781

Van rechtswege verleende omgevingsvergunning

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (wabo) kent twee voorbereidingsprocedures: de reguliere en de uitgebreide. De beslistermijn is voor de reguliere versie aanzienlijk korter: 8 weken in plaats van 6 maanden. Wanneer er een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rijksmonument wordt aangevraagd, geldt in beginsel de reguliere procedure. De uitgebreide procedure is van toepassing wanneer er krachtens artikel 2.26, lid 3, Wabo een adviseur is aangewezen. Ingevolge artikel 6.4 van het Besluit omgevingsrecht is dit kortweg het geval wanneer er sprake is van substantiële ingrepen aan het beschermde rijksmonument.

In de onderhavige zaak stond ter discussie welke voorbereidingsprocedure van toepassing is. Indien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, zou de omgevingsvergunning van rechtswege zijn verleend. Wanneer namelijk een bestuursorgaan niet binnen de beslistermijn op de aanvraag beslist en de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, geldt de zogenaamde ‘lex silencio positivo’. De vergunning wordt dan geacht te zijn verleend. Voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt dit niet.

In de procedure bepleit de gemeente Utrecht dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing was, dus dat de beslistermijn nog niet zou zijn verstreken en er geen vergunning van rechtswege is ontstaan. De bestuursrechter gaat niet mee in dit verhaal. In beginsel is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Wanneer de gemeente vervolgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure wil volgen, dient zij dit binnen acht weken aan de aanvrager mee te delen. Daar komt bij dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure pas van toepassing is, wanneer er daadwerkelijk een adviseur is aangewezen. In deze procedure is uiteindelijk wel een adviseur aangewezen, maar pas na verloop van acht weken, zodat de toepasselijkheid van de uitbreide procedure hierdoor eveneens niet tijdig kenbaar is gemaakt. De gemeente heeft in de procedure daarbij aangegeven dat het volgens haar evident was dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Hierdoor was er volgens de bestuursrechter niets wat de gemeente ervan had kunnen weerhouden om niet tijdig een adviseur aan te wijzen.

De bestuursrechter acht de reguliere voorbereidingsprocedure dan ook van toepassing en hierdoor is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend.

Zie: Rechtbank Midden-Nederland, 30 augustus 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:3633

Alleen dit jaar nog extra belastingvoordeel onderhoudskosten monumenten

Op grond van fiscale wetgeving is het voor eigenaren van monumentenpanden mogelijk om 80% van de onderhoudskosten voor dit pand af te trekken als onderdeel van de persoonsgebonden aftrek. Dit kan wanneer het monumentenpand als eigen woning wordt belast in box 1 of als overig vermogen in box 3.

Deze regeling geldt sinds 1 januari 2012. Daarvoor kon men de onderhoudskosten nog voor 100% aftrekken. Voor de jaren 2012 en 2013 is toen ook een overgangsregeling getroffen. Deze houdt in dat wanneer iemand vóór 1 januari 2012 onherroepelijk betalingsverplichtingen is aangegaan en de onderhoudskosten vóór 1 januari 2014 betaald, men volgens de oude regeling het hele bedrag mag aftrekken. Men moet nog wel rekening houden met een drempel: 0,8% van de WOZ-waarde als het monument een eigen woning is en 4% bij overig vermogen.

Dus heeft u nog dergelijke onderhoudskosten die betaald dienen te worden? Betaal ze dan nog vóór het einde van dit jaar en pak uw belastingvoordeel!

Belangrijk hierbij is dat de fiscale wetgeving voor de definitie van ‘monumentenpand’ verwijst naar de Monumentenwet 1988. Het gaat hier dus om in het monumentenregister opgenomen Rijksmonumenten. Dit zijn monumenten die door de Minister als beschermd monument zijn aangewezen. Door burgemeester en wethouders aangewezen gemeentelijke monumenten vallen hier dus niet onder. Verder dient een monument als zelfstandige eenheid in het register te zijn opgenomen of als deel van dat geregistreerde monument afdoende te zijn omgeschreven in de redengevende omschrijving. Wanneer iemand bijvoorbeeld een tuinhuis bij een monument gaat onderhouden en dit blijkt zelf geen monument of het is geen onderdeel van een monument, dan zijn de kosten niet aftrekbaar.

Ten slotte dient men erop bedacht te zijn dat het hier om kosten gaat die gemaakt worden om een bestaand pand in bruikbare staat te herstellen of te houden. Men moet hierbij denken aan onderdelen vervangen of repareren vanwege slijtage of veroudering. Kosten die gemaakt worden om een pand weer in originele staat terug te brengen vallen daarmee niet onder deze regeling, omdat deze als kosten van verbetering worden gekwalificeerd. De onderhoudskosten moeten ten slotte in redelijkheid zijn gemaakt.

Intrekking aanwijzing monument

In een recente uitspraak van de Rechtbank Overijssel is de rechtspraak over de intrekking van een aanwijzing ofwel doorhaling in het monumentenregister weer eens goed op een rij gezet. Het ging hier om het Badhuis te Hengelo, waarvan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo heeft besloten om de aanwijzing als gemeentelijk monument in te trekken. De Rechtbank komt tot het oordeel dat het college ten onrechte is voorbijgegaan aan de monumentale waarde van het Badhuis. Ook de stelling van het college dat de bouwkundige staat van het Badhuis zeer slecht is en dat exploitatie niet mogelijk is, is volgens de Rechtbank onvoldoende onderbouwd.

De Rechtbank verwijst in haar uitspraak naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4152) waarin is overwogen dat een onroerende zaak, die niet monumentaal is, niet als beschermd monument kan worden aangewezen. Dat brengt ook met zich dat als een onroerende zaak de monumentale waarde heeft verloren de bestaande aanwijzing als beschermd monument ongedaan moet worden gemaakt. De ongedaanmaking geschiedt door het doorhalen van de inschrijving. De herbeoordeling van de monumentwaardigheid vindt plaats op basis van de ten tijde van de besluitvorming bestaande feitelijke situatie. In de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 (ECLI:RVS:2011:BT2148) is overwogen dat bij deze herbeoordeling alle relevante feiten en omstandigheden met inbegrip van de ingebrachte informatie dat de aanwijzing op onjuiste gronden zou hebben plaatsgevonden, kunnen worden betrokken. Het gaat immers om de beoordeling of de zaak nog monumentale waarde heeft en in aanmerking komt voor bescherming.

In de zaak van het Badhuis te Hengelo komt de Rechtbank tot het oordeel dat verweerder ten onrechte de monumentwaardigheid niet heeft getoetst aan de criteria, zoals deze in de gemeentelijke Erfgoedverordening zijn neergelegd. Volgens de rechtbank hebben de door de monumentencommissie uitgebrachte adviezen geen betrekking op de monumentwaardigheid van het Badhuis, maar is sprake van het innemen van ‘politieke’ standpunten. Volgens de rechtbank is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank draagt het college dan ook op om een nieuw besluit te nemen op de door Stichting Cuypersgenootschap en Bond Heemschut gemaakte bezwaren tegen het besluit tot intrekking van de aanwijzing van het gemeentelijk monument van het Badhuis.

Zie: Rechtbank Overijssel, 17 september 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2236

Subsidie voor herbestemming monumenten

Tot 30 november 2013 kunnen eigenaren en belanghebbenden subsidie aanvragen voor een herbestemmingsonderzoek. Met deze subsidie kunnen zij een bijdrage ontvangen in een onderzoek naar de haalbaarheid van de herbestemming van een monumentaal pand. Ook voor dringende maatregelen tegen wind en water die het te herbestemmen pand nodig heeft, wordt een subsidiebedrag beschikbaar gesteld.

Belanghebbenden moeten voor het uitvoeren van een onderzoek wel toestemming hebben van de eigenaar. Op een subsidie voor wind- en waterdicht maatregelen kunnen alleen eigenaren een beroep doen.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in het kader van de Subsidieregeling Stimulering Herbestemming Monumenten voor dit jaar een budget van 3,4 miljoen euro gereserveerd. De subsidieregeling is per 1 november 2011 in werking getreden en zal  met ingang van 1 oktober 2016 komen te vervallen.

Loting inzake toekenning Brim-subsidie toelaatbaar

In het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (Brim 2011) is bepaald dat de Minister van OC&W subsidies kan verstrekken voor de instandhouding van monumenten en daarvoor jaarlijks subsidieplafonds kan vaststellen. In beginsel word de subsidie verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Bij gelijktijdige binnenkomst van aanvragen is in de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (Rrim 2011) bepaald dat er door loting een nadere verdeling plaatsvindt.

In de uitspraak van 3 april 2013 is een zaak aan de orde, waarbij door een aanvrager is betoogd dat deze loting wel een gewogen karakter dient te hebben in de zin dat onderscheid wordt gemaakt naar soort monument, eerder verleende subsidies en de urgentie van het benodigde herstel. De  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State herhaalt in deze uitspraak dat de keuze voor een loting als verdelingsprocedure de terughoudende rechterlijke  toets aan de algemene rechtsbeginselen kan volstaan, indien zij voldoet aan de vereisten van een wettelijke grondslag en voorafgaande bekendmaking. Dat is bij deze regelingen het geval. In dit geval bieden deze regelingen zelfs ook nadrukkelijk ruimte aan de minister om een aanvullende wijze van verdeling vast te stellen.  De Afdeling oordeelt dan ook dat een ongewogen loting is toegestaan.

Zie: ABRvS 8 april 2013, 201208350/1/A2

Wijziging huurprijzen monumenten

Per 1 juli 2013 is het Besluit huurprijzen woonruimte gewijzigd ten aanzien van de huurprijsberekening van woonruimten gelegen in beschermde rijksmonumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.

Voorheen had de huurcommissie beleidsvrijheid om de maximale huurprijs van deze woonruimten te bepalen. Dit deed zij met inachtneming van de door de verhuurder noodzakelijkerwijs gemaakte kosten voor de instandhouding van de monumentale waarde of het behoren van de woonruimte tot een beschermde stads- of dorpsgezicht. Veelal werd de Utrechtse methode gehanteerd, wat neer kwam op een opslag van 30% op de maximale huurprijs voor rijksmonumenten en 15% voor woningen gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten.

Rekening houdend met de mogelijke huurprijsdaling vanwege de per 1 juli 2011 opgenomen waardering van energieprestatie en voor een betere afspiegeling van de bijzondere gewildheid en waarde van deze woonruimten is nu vastgelegd dat aan een woning die bestaat uit of deel uitmaakt van een beschermd rijksmonument 50 extra punten worden toegekend. Voor woningen in beschermde stads- en dorpsgezichten is de opslag van 15% gecodificeerd. Voor deze laatste categorie geldt wel als voorwaarde dat door de verhuurder noodzakelijkerwijs gelden zijn besteed voor de instandhouding van de monumentale waarde van de woonruimte, tevens dat deze woonruimte voor 1945 is gebouwd. Voor rijksmonumenten gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht geldt daarbij slechts de extra waardering van 50 punten. Gemeentelijke monumenten vallen bovendien buiten de regeling.

Voor zittende huurders leidt deze extra waardering als zodanig niet tot een hogere huurpijs, aldus de Nota van Toelichting. Bij nieuwe verhuring kan deze waardering pas volwaardig worden toegepast. Een gevolg hiervan is dat bepaalde woonruimten dan geliberaliseerd verhuurd kunnen worden.

Contra-expertise bij aanwijzing monument

Bij besluit van 18 augustus 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Muiden het Kruitpad inclusief woningen en bomen aangewezen als gemeentelijk monument. De eigenaar van deze woningen is hier niet blij mee en maakt bezwaar, stelt beroep en uiteindelijk hoger beroep in. In de aanwijzing ziet de eigenaar vooral een beperking. Hij vreest voor zijn plannen om de woningen te verkopen, waarna deze gesloopt kunnen worden ten behoeve van nieuwbouw.

De eigenaar haalt alles uit de kast om de aanwijzing ongedaan te maken, maar uiteindelijk oordeelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat het hoger beroep ongegrond is.

Een van de gronden die de eigenaar aanvoert is dat de aanwijzing onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hij komt met allerlei adviezen van alternatieve deskundigen op de proppen, waarin een ander oordeel geveld wordt over de monumentwaardigheid van het Kruitpad. De Monumentencommissie had zoals is gebleken anders geadviseerd, waardoor de redengevende omschrijving onjuistheden zou bevatten.

De ABRvS overweegt dat het college beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen van de monumentale waarde van een object en dat de bestuursrechter de invulling hiervan terughoudend toetst. Nu de monumentencommissie de in de Monumentenverordening aangewezen adviseur is en haar advies geen zodanig gebreken qua inhoud of wijze van totstandkoming vertoont, mocht het college zich bij zijn aanwijzing dan ook op dit advies baseren.

Dat de adviseurs van de eigenaar andere objecten in Muiden geschikter achten voor een aanwijzing als gemeentelijk monument, maakt dit eveneens niet anders. Dat de woningen al de aanduiding ‘karakteristiek’ hebben in een voorontwerp bestemmingsplan en dat het Kruitpad ook als beschermd stadsgezicht aangewezen had kunnen worden, is volgens de ABRvS ook geen geslaagd betoog. Het college beschikt namelijk over beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een als monument beoordeeld object als beschermd gemeentelijk monument. Het gebruik van deze beleidsvrijheid wordt ook terughoudend getoetst door de bestuursrechter.

Zie: ABRvS 8 mei 2013, LJN: BZ9758

Reikwijdte bescherming monument: functioneel zelfstandige eenheden

In de onderhavige zaak heeft de eigenaar van een monumentale boerderij te Wildervank een verzoek bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ingediend om aanpassing of vervanging van de redengevende omschrijving van zijn monument, omdat deze omschrijving volgens hem verouderd en te summier is.

Zo zijn de aangebouwde dwarsschuren ten tijde van de aanwijzing in 1973 niet uitdrukkelijk in de redengevende omschrijving genoemd. De eigenaar is van mening dat dit wel zou moeten, omdat bouwkundig en functioneel één geheel met de boerderij vormen.

De minister besluit vervolgens dat er geen aanleiding bestaat om de redengevende omschrijving uit te breiden, omdat deze voldoet als aanduiding van wat beschermd wordt en wat niet. De minister is daarbij van mening dat de dwarsschuren niet onder deze bescherming vallen, omdat deze dwarsschuren volgens hem zelfstandige onroerende zaken zijn die constructief geen eenheid met de boerderij vormen en evenmin functioneel met het hoofdgebouw verbonden zijn. Deze civielrechtelijke benadering dat aangebouwde schuren die functioneel zelfstandig zijn, alleen onder de bescherming vallen als ze ook genoemd worden, is volgen de minister daarbij de vaste uitvoeringspraktijk van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) verwijst in haar overwegingen eerst naar de vaste jurisprudentiële lijn dat niet het kadastrale perceel de grondslag is voor bescherming van wat zich daarop bevindt, maar dat slechts beschermd is datgene wat als zelfstandige eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving. Het gaat bij de bepaling van een  zelfstandige eenheid om hetgeen bouwkundig en functioneel één onlosmakelijk geheel vormt.

Ter zitting heeft de eigenaar afdoende duidelijk gemaakt dat de dwarsschuren functioneel verbonden waren tijdens de aanwijzing in 1973. De civielrechtelijke benadering dat als de dwarsschuren ook zelfstandig zonder het hoofdgebouw kunnen functioneren en dat de dwarsschuren derhalve als zelfstandige eenheden moeten worden beschouwd kan de ABRvS bovendien niet volgen. Deze benadering is namelijk in een andere juridische context gevolgd. De slotsom is dan ook dat de dwarsschuren wel degelijk onderdeel uitmaken van het beschermde monument, dus eigenlijk volstond de redengevende omschrijving al en is de nadrukkelijke vermelding van de dwarsschuren in casu niet noodzakelijk.

Zie: ABRvS 3 april 2013, LJN: BZ7541

Handhaving wegens verpaupering van een beschermd monument

Volgens de Stichting Industrieel Erfgoed Leiden was het aangewezen rijksmonument “Nieuw Werklust Kleiwarenfabriek” aan het verpauperen. Zij verzocht het college van Burgemeester en Wethouders van Rijnwoude dan ook om handhavend op te treden. Het college legt uiteindelijk een last onder dwangsom op: de eigenaar van de oude kleiwarenfabriek dient binnen de begunstigingstermijn van 6 maanden het monument wind- en waterdicht te maken.

De eigenaar gaat tegen dit besluit in beroep en voert met name aan dat de kosten die verbonden zijn aan de opgelegde maatregelen niet in verhouding staan tot het belang van het behoud van de gebouwen, waarbij tevens van belang is dat veel gebouwen in slechte staat verkeren en nauwelijks een bestemming denkbaar is die enig perspectief op de toekomst kan bieden. Hij zou daarbij over onvoldoende middelen beschikken om de werkzaamheden op korte termijn te laten uitvoeren.

De rechtbank Den Haag oordeelt in deze zaak dat een beschermd monument daadwerkelijk actief beschermd dient te worden. Het nalaten van handelingen waardoor het voortbestaan van het beschermd monument gevaar loopt is dus ook in strijd met de vergunningplicht die vroeger voortvloeide uit de Monumentenwet 1988 en tegenwoordig de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving en het niet aanwezig zijn van bijzondere omstandigheden, waardoor het handhavend optreden als onevenredig kan worden gekwalificeerd, heeft het college terecht gebruik gemaakt van deze bevoegdheid, aldus de rechtbank. De omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd biedt volgens vaste rechtspraak namelijk geen grond dat dit optreden onevenredig is. Ditzelfde geldt voor het argument dat het handhavend optreden in feite zal leiden tot kapitaalvernietiging omdat er geen reële toekomstige bestemming denkbaar is.

De rechtbank verklaart het beroep dus ongegrond. Er kan nog hoger beroep aangetekend worden bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Al lijkt de uitspraak in lijn met eerdere jurisprudentie van de ABRvS inzake het Sankt Ludwig-complex.

 Zie: Rechtbank Den Haag 20 maart 2013, LJN: BZ6906

« Vorige paginaVolgende pagina »