DeClerck

Aanwijzing beschermd monument onevenredig voor projectontwikkelaar?

De onderhavige zaak betreft de aanwijzing van het voormalig Sint Geertruidenziekenhuis te Deventer als beschermd gemeentelijke monument. Het complex is in eigendom van Synchroon B.V. die het heeft verworven ten behoeve van de ontwikkeling van het terrein tot een aantrekkelijk woongebied. De Stichting Oud Deventer kan zich kennelijk niet vinden in de sloopplannen van het bedrijf en heeft de gemeente om de aanwijzing als beschermd monument verzocht. Synchroon B.V. voelt zich uiteraard in haar ontwikkelingsplannen belemmerd en voert veel argumenten aan tegen de aanwijzing.

Al deze argumenten blijken uiteindelijk tevergeefs. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) verklaart het hoger beroep van Synchroon B.V. namelijk ongegrond. Een interessant en vermeldingswaardig argument en overweging in navolging daarop is echter wel het beroep op het evenredigheidsbeginsel.

Sychroon B.V. bepleit dat de aanwijzing betekent dat het complex onder andere niet meer zal worden ontwikkeld en daardoor leeg zal blijven staan. Volgens de ABRvS houdt ingevolge haar jurisprudentie de aanwijzing als beschermd monument echter niet in dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang kunnen vinden. Eventuele sloop of herbestemming kan aan de orde komen bij een belangenafweging in het kader van een nader aan te vragen vergunning, waarbij mede het financiële belang bij sloop of herbestemming kan worden betrokken. De Erfgoedverordening van Deventer voorziet daarbij in vergoeding van de schade die ontstaat wanneer een dergelijke vergunning niet verleend wordt of aan voorwaarden verbonden wordt en deze schade redelijkerwijs niet voor rekening van Synchroon B.V. dient te blijven.

Het college heeft dan ook in redelijkheid het algemene belang dat is gediend bij het aanwijzen van het complex als beschermd gemeentelijk monument kunnen laten prevaleren boven de belangen van Synchroon B.V. Het strookt volgens de ABRvS namelijk niet met het doel van de verordening, te weten het behoud van een object als monument, indien aan de stelling dat sprake is van financieel nadeel als gevolg van de aanwijzing doorslaggevende betekenis zou moeten worden toegekend.

Zie: ABRvS 27 maart 2013, LJN: BZ7427

Belanghebbendheid van rechtspersonen

In de onderhavige zaak zijn er monumentenvergunningen verleend voor het demonteren en verwijderen van de orgelkas van het Peter Gerritsz-orgel uit de Koorkerk te Middelburg en het plaatsen van een vervangende orgelkas. Zowel de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg als de onlangs opgerichte Stichting tot Bescherming van het Peter Gerritsz-orgel kwam op tegen dit besluit. De vraag die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in casu eerst diende te beantwoorden, was of deze rechtspersonen wel als belanghebbende aan te merken zijn in de zin van artikel 1:2, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In de Awb is bepaald dat slechts belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen besluiten van bestuursorganen. Onder een belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ook rechtspersonen kunnen procederen in het bestuursrecht. Het algemeen of collectief belang dat zij in het bijzonder behartigen dient echter wel te volgen uit hun statutaire doelstellingen alsmede blijkens hun feitelijke werkzaamheden.

In de jurisprudentie is verder bepaald dat het belang van een organisatie daarbij niet te algemeen mag zijn in relatie tot het belang waarvoor het in het concrete geval opkomt. De feitelijke werkzaamheden van de rechtspersoon mag ook niet beperkt zijn tot louter het opkomen tegen besluiten.

Uit de statuten van de vereniging blijkt dat zij zich het volgende ten doel stelt:

a. het vrijzinnig godsdienstig beginsel, zoals dat met name wordt verkondigd en nagestreefd door de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland, in het algemeen en in de Hervormde Gemeente van Middelburg in het bijzonder, te handhaven en te versterken;

b. het binnen die gemeente bevorderen van kerkelijk leven in vrijzinnige geest“.

De ABRvS komt tot het oordeel dat gelet op deze omschreven belangen de vereniging niet rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. Zij ziet niet in hoe de vereniging door het vervangen van de orgelkas belemmerd wordt in het handhaven en versterken van het vrijzinnig godsdienstig beginsel en het bevorderen van kerkelijk leven in vrijzinnige geest. De ABRvS verklaart het beroep van de vereniging dus niet-ontvankelijk.

Vervolgens beoordeelt de ABRvS de statuten van de stichting. Zij stelt zich ten doel:

Lid 1, a. het beschermen van het Peter Gerritsz-orgel met het oogmerk de cultuurhistorische en monumentale belangen van het orgel veilig te stellen. Dit orgel is vanaf 1952 toevertrouwd aan de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden Middelburg voor de Koorkerk Middelburg.

b. het bewerkstelligen van een wereldwijde, openbare wetenschappelijke discussie over de toekomst van dit orgel, uitgaande van de stelling, dat de hiervoor genoemde belangen het best zijn gediend met het expliciete standpunt dit op wereldwijde schaal unieke instrument museaal te conserveren, zonder het originele materiaal aan te tasten”.

Lid 2. De stichting heeft voorts tot doel het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn“.

De ABRvS komt ten aanzien van deze bepalingen wel tot de conclusie dat de verleende monumentenvergunningen een belang betreffen dat de stichting beoogt te behartigen. Echter is dit, zoals hiervoor reeds vermeld, nog onvoldoende om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. De stichting dient ook feitelijke werkzaamheden ter behartiging van dit belang te hebben verricht.

Tijdens de zitting heeft de stichting vermeld dat de activiteiten van de stichting zich tot dan toe hebben beperkt tot het inbrengen van een zienswijze en het instellen van beroep. Dit is blijkens jurisprudentie dus onvoldoende. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat in dit geval de hoedanigheid van belanghebbende in beginsel uiterlijk kan worden verkregen op de dag waarop de beroepstermijn eindigt. Dit betekent dat op dat moment de stichting moet zijn opgericht, tevens feitelijke werkzaamheden moet verrichten ter behartiging van haar belangen. Dat er in de stichting individuen betrokken zijn die op persoonlijke titel wel dergelijke activiteiten hebben verricht doet hier niet aan af. Slechts activiteiten van de stichting als zodanig zijn van belang. De ABRvS verklaart kortom ook het beroep van de stichting niet-ontvankelijk.

Zie: ABRvS 13 maart 2013, LJN: BZ3972

Duidelijkheid subsidieaanvraag voor instandhouding monumenten

Op grond van artikel 34, lid 1, van de Monumentenwet 1988 kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van monumenten. Een belangrijke nuance volgt in de tweede volzin van dit artikel, namelijk dat onder instandhouding de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument wordt verstaan alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn.

Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn er twee Algemene Maatregelen van Bestuur van kracht die regels stellen met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid genoemde subsidies, te weten: het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (Brim) en het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties (Brgr).

Het Brim
De zaak van 29 mei 2013 bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) betreft een subsidieaanvraag waar het Brim op van toepassing is. Het Brim beoogt het verrichten van sobere en doelmatige onderhoudswerkzaamheden zodanig te stimuleren, dat kostbare restauraties in de toekomst voorkomen of beperkt worden.

Het Brim voorziet zelf weer in meerdere lagere regelingen die van toepassing zijn op een subsidieaanvraag. Dat de aanvraag van de appellant in de onderhavige zaak vanwege de onduidelijkheid van dit woud aan regelgeving incompleet werd geacht door de staatssecretaris en daardoor uiteindelijk buiten behandeling is gelaten, staat kortweg ter discussie in de hogerberoepsprocedure bij de ABRvS.

Een heldere en eenvoudige aanvraagprocedure
Concreet was ten eerste de vraag of de appellant de herstelwerkzaamheden aan een monumentale kas nader had moeten specificeren. Op basis van de zogenaamde Handwijzer met aanwijzingen die de minister heeft opgesteld ten behoeve van het bij een subsidieaanvraag verplichte instandhoudingsplan, was dit voor de aanvrager, zo stelt hij, niet duidelijk.

De staatssecretaris had de aanvrager wel de kans geboden om zijn aanvraag aan te vullen, maar de praktijk blijkt weerbarstig. Een aanvrager heeft namelijk feitelijk maar één kans om een succesvolle aanvraag in te dienen, omdat het subsidieplafond veelal is bereikt op het moment dat een onvolledige subsidieaanvraag wordt aangevuld. Dit was in casu ook het geval.

De ABRvS oordeelde uiteindelijk, het voorgaande in overweging nemende, anders dan de rechtbank ten aanzien van het nader specificeren van de ingrijpende werkzaamheden aan de kassen. De verplichting tot nadere specificatie is volgens haar voor de aanvrager onvoldoende duidelijk geweest. In dit verband verwijst de ABRvS naar de geschiedenis en totstandkoming van het Brim, waarin is toegelicht dat subsidieaanvragers op voorhand zekerheid moeten hebben over de vereisten bij de subsidieaanvraag en dat het Brim strekt tot vermindering van regeldruk en vereenvoudiging en verbetering van de vorige instandhoudingsregeling.

Nu het hoger beroep op dit punt gegrond is, wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en doet de ABRvS wat de rechtbank behoorde te doen: het beoordelen van de overige aangevoerde beroepsgronden.

Evenredigheid
De aanvrager beriep zich ook op het evenredigheidsbeginsel. De kassen waren niet de enige monumenten waarvoor hij subsidie had aangevraagd; op het landgoed liggen in totaal vijf beschermde monumenten. Dat ten aanzien van één of enkele monumenten daarvan de aanvraag onvolledig is geweest, had volgens de aanvrager niet behoren te leiden dat ook de andere monumenten buiten behandelen worden gelaten

De ABRvS oordeelde echter ten aanzien hiervan dat dit onder onderhavige omstandigheden niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierbij neemt zij in overweging dat een subsidieaanvrager voor een hogere subsidie in aanmerking kan komen wanneer hij met het oog op instandhouding van meerdere monumenten kiest voor het indienen van één subsidieaanvraag in plaats van afzonderlijke subsidieaanvragen. Doordat de appellant kans op een hogere subsidie maakte, schakelt hij zichzelf dus kennelijk uit om zich op evenredigheid te mogen beroepen.

Overigens kwam de ABRvS toe aan deze beroepsgrond omdat de aanvrager, ondanks de gegrondverklaring van het hoger beroep, toch bot heeft gevangen wegens het ontbreken van bepaalde opnametekeningen bij zijn aanvraag. Dat deze tekeningen met de aanvraag moeten worden overgelegd blijkt volgens de ABRvS wél duidelijk uit de regelgeving op basis van het Brim.

Zie: ABRvS 29 mei 2013, LJN: CA1381

Aanwijzing gemeentelijk monument onevenredig door waardedaling?

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren een zomerhuis aan de Loosdrechtse Plassen aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Appellante kan zich niet met dit besluit verenigen, want hierdoor kan volgens haar een noodzakelijke uitbreiding van het pand niet meer plaatshebben. Het zeer negatieve effect dat de aanwijzing op de prijs van het pand heeft, dat te koop staat, zou bovendien ook onderkend worden.

Appellante wil graag het woonoppervlak van haar pand vergroten. Dit zou nodig zijn om het pand weer geschikt te maken voor bewoning. Zonder de uitbreiding zou het pand niet meer voldoen aan de eisen die tegenwoordig aan een pand worden gesteld. De ABRvS overweegt echter net als de rechtbank dat niet de aanwijzing tot gemeentelijk monument aan de uitbreiding in de weg staat, maar de planologische mogelijkheden op basis van het bestemmingsplan.

Ten aanzien van de waardedaling van het pand stelt de ABRvS dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 4 juni 1991 (AB 1992, 151), terecht voorop heeft gesteld dat de enkele aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument niet zonder meer met zich brengt dat het pand in waarde daalt en dat slechts indien zou blijken dat de waardedaling zo groot is dat het belang van de eigenaar onevenredig zou worden geschaad, dit in de het college te maken afweging betrokken zou kunnen worden.

Uit de overgelegde stukken door appellante ten aanzien van de waardedaling blijkt dat als oorzaak van de waardedaling de beperkte mogelijkheid om het woonoppervlak van het pand te vergroten wordt aangemerkt. Nu al duidelijk is geworden dat het vigerende bestemmingsplan en niet de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument aan de uitbreiding in de weg staat, heeft appellante niet aannemelijk kunnen maken dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de gestelde waardedaling en de aanwijzing. Het hoger beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 15 mei 2013, LJN: CA0141

Bouwen tuinhuisje bij een monument is vergunningplichtig

In deze zaak wilde appellanten een tuinhuisje bouwen ten behoeve van hun woonhuis, onderdeel van een boerderij. De gemeente IJsselstein heeft echter geweigerd een omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen. Het bezwaar en beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard. In hoger beroep betogen appellanten dat de rechtbank miskend heeft dat voor realisering van het bouwplan geen vergunning zou zijn vereist, omdat de voormalige varkensschuur, waarbij het tuinhuisje – kennelijk ook – gevestigd zal worden, geen monument is.

Normaal gesproken zou het betreffende tuinhuisje namelijk vergunningvrij zijn. Het Besluit omgevingsrecht (Bor) bevat echter een uitzondering voor vergunningvrije bouwactiviteiten wanneer deze bij een monument plaatsvinden. Wanneer de varkensschuur dus niet als monument gekwalificeerd kan worden, gaat deze uitzondering niet op, dachten de appellanten wellicht.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verwijst vervolgens naar haar vaste jurisprudentie dat slechts datgene als monument beschermd wordt, wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid in de redengevende omschrijving is vermeld. Nu de woning, waarvoor het tuinhuisje zal dienen, onderdeel uitmaakt van de boerderij die in de redengevende omschrijving wordt vermeldt, staat vast dat het tuinhuisje bij een monument gebouwd zal worden. Of de voormalige varkensschuur een monument is of niet doet dus niet eens ter zake.

Het tuinhuisje was kortom vergunningplichting omdat het bij een monument werd gebouwd. Het besluit bleef dan ook in stand.

Het zij nog wel opgemerkt dat het rechtsregime betreffende bouwactiviteiten bij monumenten inmiddels is veranderd. Naar aanleiding van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg is de Wabo namelijk op een aantal punten per 1 januari 2012 gewijzigd. Waar bouwactiviteiten vóór 1 januari 2012, zoals in onderhavig geval, dus altijd vergunningplicht waren, zijn er nu ook bepaalde bouwactiviteiten vergunningvrij.

Uit artikel 4a Bijlage II bij het Bor blijkt vervolgens welke vergunningvrije activiteiten op grond van artikel 2 en 3 van deze bijlage van toepassing zijn op activiteiten die plaatsvinden in, aan, op of bij een beschermd monument. Op grond hiervan blijft het oprichten van een tuinhuisje overigens vergunningplichtig.

Zie: ABRvS 17 april 2013, LJN: BZ7725

Extra subsidie voor herbestemming monumenten

Sinds 2011 bestaat de Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten. Door middel van deze regeling wordt er elk jaar 2,4 miljoen euro beschikbaar gesteld om bij te dragen in de kosten van haalbaarheidsonderzoeken en de kosten van het tussentijds wind- en waterdicht maken van monument.

Minister van Cultuur, Jet Bussemaker, heeft voor dit jaar het budget opgehoogd met 3,8 miljoen euro. Door de huidige ontkerkelijking, krimp en andere factoren dreigt er namelijk momenteel extra veel leegstand en verval voor duizenden monumenten en andere karakteristieke gebouwen. Er is dus eenmalig nu 6,2 miljoen euro aan subsidie beschikbaar. Woonhuizen vallen overigens buiten deze subsidieregeling.

Kijk voor meer informatie ook op www.herbestemming.nu of www.kennisbankherbestemming.nu

Grenzen aan beleidsvrijheid gemeente bij aanwijzing monument

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel heeft bij besluit van 6 april 2010 de Sint Petruskerk te Berlicum aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Kennelijk wilde de gemeente niet dat de kerk zou worden gesloopt. De Parochie Sint Norbertus ging in bezwaar en beroep en was uiteindelijk succesvol in hoger beroep.

Volgens de rechtbank hoefde het teruglopend aantal kerkgangers, de stijgende kosten van onderhoud en het onttrekken van de kerk per 1 juli 2012 aan de eredienst, geen beletselen te zijn voor aanwijzing van de kerk als gemeentelijk monument. Het beroep van de Parochie werd dus ongegrond verklaard.

In hoger beroep stond niet ter discussie of de kerk monumentwaardig is. De Parochie wijst vooral op het feit dat de onderhouds- en renovatiekosten te hoog zijn. Zelfs zo hoog dat zij hierdoor op een faillissement afstevent. Een eventuele monumentensubsidie van het college zou daarbij volstrekt ontoereikend zijn. Het college had dan ook de kerk niet als beschermd monument mogen aanwijzen, zodat de kerk gesloopt kan worden en herontwikkeld.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overweegt eerst dat het college beleidsvrijheid heeft bij de aanwijzing van een zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing echter in de verordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter toetst de aanwijzing terughoudend; ter beoordeling staat of het college in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen. Zoals het college terecht heeft aangevoerd, is van belang dat de rechter bij die toets uitgaat van de ten tijde van de aanwijzing bestaande situatie.

Het college heeft de belangenafweging gebaseerd op een rapport van PRC B.V. Uit dit rapport blijkt dat hergebruik van de kerk financieel onhaalbaar is. De enige mogelijkheid tot herbestemming is die van de inpassing van een gezondheidscentrum. De Parochie heeft echter aannemelijk gemaakt dat een dergelijke herbestemming tijdens de aanwijzing allesbehalve zeker was. Zij heeft namelijk notulen overgelegd van een overleg tussen de parochie en de initiatiefnemers van het gezondheidscentrum, waaruit blijkt dat de voorkeur voor vestiging niet uitgaat naar de Petruskerk.

De vestiging van een gezondheidscentrum is volgens het rapport echter de enige haalbare optie, maar in werkelijkheid dus tijdens de aanwijzing weinig reëel. Het gezondheidscentrum heeft zich inmiddels ook op een andere locatie gevestigd. De gemeente had volgens de ABRvS dan ook bij de aanwijzing nader in dienen te gaan op eventuele alternatieve mogelijkheden voor herbestemming van de kerk.

Nu zij dit niet gedaan heeft berust volgens de ABRvS de aanwijzing in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering en heeft in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden. De door de parochie naar voren gebrachte belangen bij herontwikkeling zijn hier zodanig concreet dat zij reeds bij de aanwijzing van belang zijn en niet eerst bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor sloop van de kerk aan de orde dienen te komen. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte de aanwijzing in stand gelaten. De ABRvS acht het hoger beroep dan ook gegrond en doet wat de rechtbank had moeten doen en vernietigt het aanwijzingsbesluit.

Zie: ABRvS 3 april 2013, 201207297/1/A2

Lancering website tijdens Nederlandse Restauratiebeurs

Op donderdag 18 april 2013 zal tijdens de Nederlandse Restauratiebeurs 2013 de website: monumentenrecht.com officieel gelanceerd worden.

Deze lancering zal plaatshebben tussen 12:30-13:00u in beurstheater 1 van de Brabanthallen te Den Bosch. Tijdens deze lancering zal er kort een lezing zijn over het ontstaan van het initiatief en de aangeboden diensten van Monument+Recht. Zie voor meer informatie onderstaande links:

Aankondiging monumentenrecht.com op restauratiebeurs.nl

Programma donderdag

Belanghebbende bij omgevingsvergunning en aanbouw onderdeel aanwijzing?

De kwestie die partijen naar de bestuursrechter hebben doen bewegen betreft de vraag of de omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rijksmonument in casu had moeten worden geweigerd. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het ingestelde beroep door appellante, de eigenaresse van een naburig pand, eerder niet-ontvankelijk verklaard. Belangrijk in deze zaak was ook of de aanbouw waarvoor de omgevingsvergunning is verleend onder de beschermde status van het rijksmonument valt.

Het beroep is gericht tegen het verlenen van een omgevingsvergunning om een illegale aanbouw te legaliseren. Deze aanbouw was opgericht aan de achterkant van een als beschermd monument aangewezen pand. Dit pand is namelijk onderdeel van een bouwblok dat samen met drie andere bouwblokken als rijksmonument wordt beschermd op grond van de Monumentenwet 1988.

De eerste vraag die bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) voorlag was ten aanzien van de belanghebbendheid van appellante, aangezien ze bij de rechter dus niet-ontvankelijk is verklaard. De ABRvS wijst de rechtbank op het feit dat het hier niet om een besluit tot aanwijzing van een monument gaat, maar om een besluit omtrent de aanvraag van een omgevingsvergunning. De kring van belanghebbenden is daarbij anders.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 22 februari 2012 in zaak nr. 201105012/1/A2, overweegt de ABRvS vervolgens dat het belang van de eigenaar van een naburig pand rechtstreeks is betrokken bij het verlenen van een vergunning tot wijziging van een monument ten behoeve van werkzaamheden met een ruimtelijke uitstraling voor naastgelegen panden. Onder ruimtelijke uitstraling moet in dat kader in het algemeen worden verstaan, de waarneembare invloed die de te vergunnen werkzaamheden zullen hebben op de omgeving. Nu het perceel van appellante grenst aan het perceel, waarop de aanbouw is gerealiseerd, kan niet worden ontkend dat de aanbouw waarneembare invloed kan hebben op haar pand. Zij is dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2, lid 1, van de Awb.

Het hoger beroep is daarmee gegrond. De ABRvS doet vervolgens wat de rechtbank had behoren te doen, te weten de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Appellante heeft betoogd dat er ten onrechte geen betekenis is gehecht aan het advies van een ingeschakeld Adviesbureau. Het belang van monumentenzorg zou zich er kortom tegen verzetten om de omgevingsvergunning te verlenen, want dit is de enige weigeringsgrond ten aanzien van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een beschermd monument.

De belangrijke overweging die de ABRvS dan maakt is dat de aanbouw zelf, ook al bestond deze al ten tijde van de aanwijzing van het pand, waartegen hij is opgericht, niet ook wordt beschermd op grond van de Monumentenwet. Dit omdat de aanbouw niet dusdanig met het monumentale pand is verbonden, dat hij in bouwkundige zin daarmee moet worden vereenzelvigd en niet in het aanwijzingsbesluit en de redengevende omschrijving wordt genoemd. Hiermee bevestigt de ABRvS de jurisprudentie dat bouwwerken die in bouwkundig opzicht los van het als monument aangewezen gebouw kunnen worden gezien, niet ook onder de beschermde status vallen.

Het belang van de redengevende omschrijving wordt daarmee nog maar eens benadrukt. In de omschrijving in dit geval stond dat de essentie van de aanwijzing bestaat uit het vooraangezicht van het bouwblok, de geleding en opbouw van de gevels en dergelijke. Met de legalisatie van de aanbouw, die zich aan de achterkant bevindt, worden deze onderdelen niet gewijzigd. Er is dus beoordeeld of de monumentale waarden van het hoofdgebouw worden aangetast, want de aanbouw zelf valt niet onder de beschermde status. Dit was kortom niet het geval, dus de omgevingsvergunning mocht wel worden verleend.

Zie: ABRvS 16 januari 2013, LJN: BY8495

Verlaagd BTW-tarief bij renovatie en herstel woningen inclusief tuinen

De staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit van 28 februari 2013 het BTW-tarief verlaagd op arbeidskosten bij renovatie en herstel woningen. De doelstelling van deze maatregel is het stimuleren van de bouwsector, maar ook eigenaren van monumenten zijn hiermee gebaat.

Het huidige BTW-tarief zal gedurende één jaar van 21% naar 6% verlaagd worden. Het betreft hier de periode van 1 maart 2013 tot 1 maart 2014. Dit lagere tarief ziet echter wel uitsluitend op de arbeidskosten. Kosten voor de bij de renovatie- en herstelwerkzaamheden gebruikte materialen blijven dus belast met het hoger tarief van 21%.

Het verlaagde tarief is van toepassing op alle renovatie- en herstelwerkzaamheden die in en aan een woning worden verricht. Deze werkzaamheden moet wel meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming van de woning plaatshebben.

Onder genoemde renovatie- en herstelwerkzaamheden  verstaat de staatssecretaris het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden, van (delen van) de woning. Goed nieuws voor de eigenaren of beheerders van monumentale tuinen is dat ten opzichte van de eerdere BTW-verlaging tussen 1 oktober 2010 en 1 oktober 2011, nu ook de aanleg en het onderhoud van de tuin onder de maatregel vallen.

 

« Vorige paginaVolgende pagina »