DeClerck

Gebruik van een monument in strijd met het bestemmingsplan en de gefaseerde aanvraag van de omgevingsvergunning

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) deed recent een interessante uitspraak over de gefaseerde aanvraag van een omgevingsvergunning. De verschillende onlosmakelijk verbonden activiteiten staan hierbij centraal. Aanleiding om nog eens stil te staan bij deze complexe materie!

In de kwestie waarop deze uitspraak ziet gaat het om het gebruik van een boerderij in strijd met het bestemmingsplan. In plaats van wonen wil de aanvrager de boerderij verhuren als recreatief verblijf. Voor dit gewijzigd gebruik is een omgevingsvergunning aangevraagd.

Tegelijkertijd is de boerderij een rijksmonument. Gewijzigd gebruik van het monument is een afzonderlijke vergunningplichtige activiteit. Hiervoor werd géén omgevingsvergunning gevraagd.

Na de ontvangst van de aanvraag van de omgevingsvergunning heeft het college van B&W de aanvraag behandeld alsof het óók ziet op het gewijzigd gebruik van de boerderij als monument. Omdat het een rijksmonument is, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure voorgeschreven, in plaats van de reguliere (korte) procedure. Het college zet de uitgebreide voorbereidingsprocedure in gang, naar achteraf oordeel van de ABRvS onterecht.

Op het moment dat de aanvrager meerdere onlosmakelijke activiteiten wil verrichten, geeft artikel 2.7 Wabo de mogelijkheid om éérst voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning aan te vragen. Het zogenoemde gefaseerd aanvragen. Zodoende kan de uitkomst van de eerste omgevingsvergunning worden afgewacht vóórdat een aanvraag voor de andere onlosmakelijke activiteiten wordt gedaan. Daarbij moet vaak uitvoerige onderbouwing worden gegeven, bijvoorbeeld voor het gewijzigd gebruik van het rijksmonument zoals in deze kwestie.

Als gevolg van het gefaseerd aanvragen mocht het college de aanvraag enkel in behandeling nemen als het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Daarop is de reguliere (korte) voorbereidingsprocedure van toepassing. Het college had dus de reguliere voorbereidingsprocedure moeten toepassen, in plaats van de uitgebreide variant.

De ABRvS bevestigt nogmaals dat de activiteit waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft bepaalt of een reguliere of een uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd.

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

 

Bron: ECLI:NL:RVS:2019:157

Het verbouwen van een monument en de omgevingsvergunning

Voor een verbouwing is al snel een omgevingsvergunning nodig. Doorgaans beter bekend als de bouwvergunning. De regels stellen bepaalde (eenvoudige) activiteiten vrij van de vergunningplicht. Tegelijkertijd kunt u er bij een meer omvangrijke verbouwing vrijwel vanuit gaan dat een bouwvergunning nodig is. Ook als het pand een monument betreft is dit niet anders.

Sinds enkele jaren regelt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat de omgevingsvergunning meerdere activiteiten kan omvatten. Dit is ook relevant voor de eigenaar van een monument. Náást de bouwvergunning is dan ook een – vaak zo genoemde – monumentenvergunning vereist. In dat geval wordt de omgevingsvergunning dus voor meerdere activiteiten aangevraagd, zowel bouwen als het wijzigen van het monument. Zonder de vergunning is het verboden de activiteiten uit te voeren .

Ten aanzien van de vergunningplicht maakt de wet onderscheid tussen rijksmonumenten en provinciale en gemeentelijk monumenten. Voor het rijksmonument regelt de wet de vergunningplicht voor de volgende activiteiten:

  • Het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument;
  • Het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een zodanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht.

Voor het provinciale of het gemeentelijk monument geldt dezelfde vergunningplicht, op de voorwaarde dat dit wordt geregeld in een daartoe strekkende provinciale- of gemeentelijke verordening, doorgaans betiteld als erfgoedverordening of monumentenverordening. Deze verordening speelt dus een belangrijke rol.

Bij de vergunningverlening is de redengevende omschrijving (bij het aanwijzingsbesluit) belangrijk. Daarin is de monumentale waarde van het object omschreven. Ware het niet dat in deze omschrijving vaak niet (voldoende) deugdelijk en kenbaar wordt gemotiveerd wát van het object precies moet worden beschermd en waarom. Terwijl (in artikel 3:46 Awb) een dergelijke motivering wél wordt vereist. Het ontbreken van een dergelijke motivering resulteert bij de rechter vaak (helaas) in de bescherming van het object in zijn totaliteit.

Naast de wet- en regelgeving en redengevende omschrijving, speelt ook het bestemmingsplan een rol in de monumentenzorg en de vergunningverlening daar omheen.

Kortom, bent u van plan bouwactiviteiten te verrichten aan uw monument? Zorg dan in ieder geval dat u de omgevingsvergunning aanvraagt voor álle activiteiten. Dus ook voor het wijzigen van het monument. Zo voorkomt u dat de wijzigingen op een later moment wellicht weer ongedaan moeten worden gemaakt.

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Wie is belanghebbende bij de aanwijzing van een object als monument?

Als een object wordt aangewezen als monument, dan kan tegen dat besluit bezwaar en beroep worden aangetekend. Degene die bezwaar en beroep instelt, moet wél kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft zich hierover uitgelaten, in een interessante uitspraak over een bunker uit de Tweede Wereldoorlog, nu in eigendom van de gemeente Amstelveen.

 

Belanghebbende in het monumentenrecht
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een aanwijzingsbesluit van een object als monument, in principe alleen de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het object is aan te merken als belanghebbende. De ABRvS merkt daarbij op dat omwonenden, huurders, andere gebruikers van het betreffende object, geen belanghebbende kunnen zijn bij een dergelijk aanwijzingsbesluit. Dit heeft te maken met het feit dat de aanwijzing als monument niet de bestemming van het object wijzigt. Het levert daarmee dus niet snel een belang op voor anderen dan de eigenaar of zakelijk gerechtigde. Wijziging van (de bestemming van) een object, gebeurt immers bij andersoortige besluiten.

 

Vereniging ‘Sloop de Bunker’ als belanghebbende

In deze kwestie meent de vereniging Sloop de Bunker óók belanghebbende te zijn bij de aanwijzing van de bunker als monument. Het doel van de vereniging is namelijk onder andere het nastreven van de sloop van de bunker. De aanwijzing beschermt de bunker tegen de eventuele toekomstige sloop van de bunker. Daarmee wordt het doel van de vereniging doorkruist. De vraag deed zich voor of de vereniging daardoor ook als belanghebbende kan worden beschouwd.

Ondanks de hoofdregel dat eigenlijk alleen de eigenaar of zakelijk gerechtigde belanghebbende kan zijn bij een aanwijzingsbesluit, besloot de ABRvS dat de vereniging Sloop de Bunker inderdaad óók als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het bezwaar en beroep van de vereniging moet door de gemeente Amstelveen worden betrokken in de besluitvorming.

Deze uitspraak wijzigt weliswaar niet zozeer de hoofdregel, maar is daardoor niet minder interessant. Het toont aan dat zich tóch een situatie kan voordoen waarin – naast de eigenaar of zakelijk gerechtigde – een andere partij belanghebbende kan zijn bij de aanwijzing van het monument in spe.

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Afschaffing monumentenaftrek? De Wet fiscale maatregel rijksmonumenten veroorzaakt onrust.

Op 16 oktober 2018 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel “Wet fiscale maatregel rijksmonumenten” aangenomen. Hierin wordt voorgesteld dat de fiscale monumentenaftrek – al met ingang van 2019 – moet worden omgezet in een subsidie. Dit heeft potentieel verstrekkende gevolgen, zowel voor eigenaren van rijksmonumenten als voor projectontwikkelaars die zich bezig houden met de renovatie en verduurzaming van rijksmonumenten. Hoe zit dit en wat is de stand van zaken van deze maatregel?

 

Monumentenaftrek voor rijksmonumenten

Tot op heden zijn de kosten voor onder andere het verbouwen, verduurzamen en onderhouden van een rijksmonument onder omstandigheden fiscaal aftrekbaar. Dit maakt het houden van een dergelijk monument voor de eigenaar financieel aanzienlijk dragelijker. De monumentenaftrek is niet alleen van groot belang voor eigenaren, maar ook voor projectontwikkelaars. Juist mede vanwege deze fiscale tegemoetkoming, wordt gestimuleerd dat rijksmonumenten zo veel mogelijk bewaard blijven en projectmatig optimaal geschikt gemaakt kunnen worden voor gebruik door bedrijven, die zich willen vestigen in een prachtig en duurzaam monument.

Daar waar de kosten nu nog fiscaal kunnen worden afgetrokken, moet dit volgens het wetsvoorstel worden omgezet naar een subsidie. De voorspelbaarheid van de fiscale monumentenaftrek, kent een subsidieregeling niet. Het is op voorhand minder gemakkelijk vast te stellen wat exact de subsidie zal zijn. Ook zal bij financiering een aanspraak op een subsidie veelal niet worden meegenomen door een financier, terwijl dat met de fiscale monumentenaftrek doorgaans wél het geval is.

 

Naar een subsidieregeling

Minister Van Engelshoven schrijft in haar brief aan de Tweede Kamer, “Erfgoed Telt (..)”, onder meer dat met de subsidieregeling de kwaliteit van de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden beter zullen worden gewaarborgd. Zij koppelt dit aan de mogelijkheid de onderhoudswerkzaamheden aan rijksmonumenten te kunnen toetsen en de beschikbare middelen in de monumentenzorg doelmatiger te kunnen besteden.

In de wereld van de monumentenzorg zijn signalen waarneembaar, dat deze maatregel de rem zet op de stimulering van de investering in rijksmonumenten. De zorg bestaat dat de afschaffing van de monumentenaftrek dermate vergaande financiële gevolgen zal hebben, dat eigenaren en projectontwikkelaars worden vertraagd of zelfs worden verhinderd in hun plannen.

 

Naar de Eerste Kamer

Naar verwachting zal het wetsvoorstel begin december van dit jaar nog plenair door de Eerste Kamer worden behandeld. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen, dan zal de maatregel al met ingang van 2019 moeten ingaan. Hierdoor ontkomen projectontwikkelaars er niet aan nu al te anticiperen op de voorgestelde maatregelen.

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

De gemeente wijst uw object aan als monument. Wat nu?

Binnen de monumentenzorg in Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. In het kader hiervan is – op gemeentelijk niveau – iedere gemeente verplicht hiertoe een verordening op te stellen. Doorgaans draagt deze de titel ‘Erfgoedverordening’ of ‘Monumentenverordening’. Op grond van een dergelijke verordening kan de gemeente – binnen de kaders van de wet en de jurisprudentie – een object aanwijzen als monument. Wat betekent dit voor u? En, wat zijn uw rechten en mogelijkheden bij een dergelijke aanwijzing?

 

Aanwijzing door de gemeente

Een gemeente is vrij in hetgeen zij regelt in een monumentenverordening. In de meest voorkomende vormen van monumentenverordeningen is de bevoegdheid van de Burgemeester en Wethouders opgenomen om een object als monument aan te wijzen. Gelet op de daarbij gegeven begripsomschrijving van monument, gaat het bij een dergelijke aanwijzing doorgaans over de ‘schoonheid’, ‘cultuurhistorische waarde’, ‘architectuurhistorische waarde’, ‘stedenbouwkundige waarde’ of ‘wetenschappelijk betekenis’ van het object. Wat veel voorkomt is dat een gemeente oude boerderijen als monument aanwijst, bijvoorbeeld vanwege de architectuur van de gevels en de ligging, die doet herinneren aan het agrarisch verleden. Een aanwijzing als monument geeft een gemeente de mogelijkheid te voorkomen dat dergelijke waarde verloren gaat bij verbouwing of sloop.

 

Een monumentenverordening regelt hoe een aanwijzing kenbaar wordt gemaakt. Iedere gemeente is gehouden een erfgoed- of monumentencommissie op te richten, die wordt gehoord over een aanwijzing.

 

Gevolgen van een aanwijzing als monument

Een monumentenverordening regelt dat voor activiteiten zoals verbouwing, verplaatsing of sloop van een gemeentelijk monument, een omgevingsvergunning van de gemeente is vereist. Daarnaast bevat een monumentenverordening doorgaans een verbod om zonder vergunning een monument zodanig te gebruiken, te herstellen of te behandelen dat de monumentale waarde verloren kan gaan.

Los van de beperkingen die een monumentenverordening aan de eigenaar van een monument oplegt, ziet de eigenaar zich vaak geconfronteerd met hoge(re) kosten. De oorzaak hiervan kan zijn dat de gemeente bepaalde voorwaarden stelt, wat doorgaans resulteert in de inschakeling van experts, wat vervolgens extra kosten meebrengt. In bepaalde gevallen bestaat een regeling voor de aanspraak op subsidie of schadevergoeding. Een monumentenverordening kan hiervoor een regeling bevatten.

 

Wat kunt u doen als uw object wordt aangewezen als monument?

De aanwijzing als monument is een besluit, in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In de meeste gevallen maakt de gemeente eerst het voornemen tot de aanwijzing aan u kenbaar, vóórdat het object daadwerkelijk als monument wordt aangewezen. Opkomen tegen het voornemen of de aanwijzing, moet binnen een strikte termijn van zes weken na de dagtekening daarvan gebeuren. Uiteindelijk staat de weg naar de bestuursrechter open.

 

Overigens is in veel monumentenverordeningen opgenomen, dat het object al vanaf de bekendmaking van (het voornemen van) de aanwijzing wordt beschermd alsware een monument. Uiteraard vervalt de bescherming indien de eigenaar de aanwijzing met succes aanvecht.

 

Is uw gemeente voornemens uw object als monument aan te wijzen en bent u het daar niet mee eens? Neemt u dan vrijblijvend contact met ons op via 071 – 581 5320 om te bespreken wat uw mogelijkheden zijn.

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

De werking van het Bouwbesluit 2012 op de wijziging van een monument

Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen, slopen of verplaatsen van een monument, kan het Bouwbesluit 2012 een belangrijke rol spelen. Dit vereist in het bijzonder aandacht, als het bevoegd gezag aan de vergunningverlening bepaalde specifieke voorwaarden wil verbinden. Het stellen van dergelijke voorwaarden is niet bijzonder. Het bevoegd gezag zal immers de monumentale waarde van het bouwwerk willen behouden. Dit maakt dat een vergunning voor het wijzigen van een monument doorgaans is voorzien van (strenge) voorwaarden.

Bouwbesluit 2012

In het Bouwbesluit 2012 (hierna: bouwbesluit) wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en verbouw. Er is sprake van verbouw bij gehele of gedeeltelijke vernieuwing, verandering of vergroting van een bouwwerk. Aan verbouw stelt het bouwbesluit dezelfde eisen als aan een nieuw te bouwen bouwwerk, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.

De bepalingen van het bouwbesluit zijn ook van toepassing bij de wijziging van een monumentaal bouwwerk. Het bevoegd gezag wordt geconfronteerd met de vraag hoe de voorschriften van het bouwbesluit zich verhouden tot de eisen die het bevoegd gezag zal willen stellen aan de wijziging van het monument.

Bij verbouw van een monument

In bepaalde gevallen heeft de toepassing van de voorschriften van het bouwbesluit op de verbouw van een monument onwenselijke gevolgen. Zo kunnen monumentale waarden verloren gaan vanwege specifieke eisen – bijvoorbeeld in het kader van de veiligheid – die het bouwbesluit aan de verbouw verbindt.

Om te voorkomen dat monumentale waarden in het gedrang komen, is artikel 1.13 in het bouwbesluit opgenomen. Dit artikel bepaalt dat met voorwaarden – verbonden aan de vergunning voor de verbouw van een monument – kan worden afgeweken van de voorschriften in het bouwbesluit. De voorwaarden die het bevoegd gezag aan de vergunning voor de verbouw van het monument verbindt, komen als het ware in de plaats van bepalingen van het bouwbesluit.

In het Praktijkboek Bouwbesluit 2012 wordt het concrete voorbeeld gegeven van een trap in een monumentale woning, die in strijd met een inhoudelijk voorschrift van het bouwbesluit is gesitueerd. Vanwege het belang van het behoud van de monumentale waarden van het bouwwerk, kan bij de vergunning voor de verbouw van het monument worden voorgeschreven dat de trap niet mag voldoen aan van de betreffende voorschriften van het bouwbesluit.

Het moet gaan om verbouw

Een belangrijk punt van aandacht ten aanzien van artikel 1.13 is dat het moet gaan om verbouw. Nu zal de wijziging van een monument in het overgrote deel van de gevallen ook aan te merken zijn als verbouw (en niet van nieuwbouw). Echter, er zijn ook gevallen denkbaar dat alleen de voorschriften voor nieuwbouw van toepassing zijn. Bijvoorbeeld in geval van volledige sloop (inclusief de fundering) en vervolgens herbouw. Denkbaar is dat bij deze herbouw op aanwijzing van het bevoegd gezag bepaalde specifieke monumentale waarden terug moeten komen. Het bevoegd gezag zal zich in dit uitzonderlijke geval gebonden zien aan de voorschriften van het bouwbesluit.

Besluit

De uitzonderingsbepaling waarmee de voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor de wijziging van een monument in de plaats kunnen treden van de voorschriften van het bouwbesluit, geeft het bevoegd gezag goed gereedschap om de monumentale waarden van een bouwwerk te beschermen. Vanuit de monumentenzorg een goede bepaling, maar het is en blijft maatwerk!

Vragen over monumenten? Neem gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder!

 

Vincent Stavleu, advocaat monumentenrecht

Geen tijdelijke aanwijzing als monument tijdens bezwaarprocedure

De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel heeft op 7 maart 2017 het verzoek afgewezen van twee erfgoedverenigingen om de energiecentrale Harculo tijdelijk als gemeentelijk monument aan te wijzen. Het verzoek werd ingediend om de sloop van de centrale uit te stellen. De voorzieningenrechter vond dat een te vergaande maatregel gelet op de omstandigheden.

Aanvraag aanwijzing monument
De Erfgoedvereniging Bond Heemschut en de Stichting het Cuypersgenootschap hebben aan de gemeente Zwolle gevraagd om de gebouwen van de energiecentrale aan te wijzen als gemeentelijk monument. Waarschijnlijk omdat de sloop van de centrale zich nu in de actieve fase bevindt, zoals de voorzieningenrechter opmerkt. De aanwijzing als monument zou de sloop vervolgens kunnen voorkomen.

Overigens geldt voor rijksmonumenten dat een aanwijzing niet kan worden aangevraagd. Een rijksmonumentenstatus kan alleen ambtshalve door de minister worden verleend. De Erfgoedverordening van de gemeente Zwolle biedt dus wel deze mogelijkheid voor wat betreft gemeentelijke monumenten. Dit verschilt per gemeente.

Voorlopige voorziening
De gemeente Zwolle wijst het verzoek echter af. Tegen deze afwijzing tekenen verzoekers bewaar aan. Gedurende deze bezwaarprocedure staat het vanwege de afwijzing de eigenaar van de energiecentrale vrij om de bouwwerken alsnog te slopen. Vandaar dat de erfgoedverenigingen om onomkeerbare gevolgen te voorkomen aan de voorzieningenrechter vragen om hangende de bezwaarprocedure de centrale als monument aan te wijzen.

De voorzieningenrechter merkt ten eerste op dat het aanwijzen van een bouwwerk tot monument een bevoegdheid is die bij de gemeente ligt. Hij behoort de beslissing en afwegingen van de gemeente daarom terughoudend te toetsen. Door het bouwwerk tijdelijk als monument aan te wijzen, zou hij buiten die terughoudende toetsing treden.

In zijn belangenafweging laat de voorzieningenrechter het belang van de slopende partij voorgaan. Dit, omdat ruim twee jaar eerder al een sloopmelding door de provincie is geaccepteerd en enkele maanden geleden de eveneens benodigde vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend. De sloop was kortom veel eerder voorzienbaar dan dat de erfgoedverenigingen in actie zijn gekomen.

Bovendien staan de sloopwerkzaamheden niet ter discussie in deze procedure tussen verzoekers en de gemeente, maar de weigering een monumentale status aan het gebouw toe te kennen. Maatregelen tegen de huidige sloopwerkzaamheden liggen volgens de rechter dus buiten de rechtsverhoudingen die uit het aangevochten besluit voortvloeien, want de bevoegdheid om de sloop toe te staan ligt bij de provincie en niet de gemeente. De erfgoedverenigingen hadden dus eerder in actie moeten komen om de sloop mogelijk af te kunnen wenden.

Zie: Rechtbank Overijssel 7 maart 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:1023

‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’ en de gevolgen voor monumenten

Op 21 februari 2017 heeft de Tweede Kamer het voorstel voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: WKB) aangenomen. De Eerste Kamer zal zich er nu over gaan buigen. In dit artikel zal kort bij de inhoud van dit wetsvoorstel worden stilgestaan, alsmede wat dit (mogelijk) betekent voor monumenten.

Het wetsvoorstel
De WKB beoogt de kwaliteit van bouwwerken te verbeteren en duidelijk te maken waar de verantwoordelijkheden liggen. Zo komt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit meer bij de bouwer te liggen, want deze verantwoordelijkheid eindigt niet meer bij de oplevering. De positie van de ‘bouwconsument’ wordt zodoende verbeterd.

Ook eindigt de preventieve toetsing van gemeenten aan het Bouwbesluit 2012 bij omgevingsvergunningaanvragen. In plaats daarvan zal het voldoen aan de bouwregelgeving bij de oplevering van een bouwwerk moeten worden aangetoond. De bouwer zal hiervoor een zogenaamd – door de bouwsector te ontwikkelen – ‘instrument voor kwaliteitsborging’ moeten toepassen. Hiermee wordt gedurende het bouwproces dan vastgesteld in hoeverre bij oplevering aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Gemeenten toetsen vooraf nog wel of het gekozen instrument voor kwaliteitsborging past bij het te bouwen bouwwerk en of de aanvrager werkt met een bevoegde ‘kwaliteitsborger’.

Gevolgen voor monumenten
Met het aannemen van het wetsvoorstel heeft de Tweede Kamer ook twee moties aangenomen met betrekking tot monumenten. Gedurende het wetgevingsproces waren tevens al vragen gesteld over wat dit wetsvoorstel betekent voor monumenten. Dit, omdat voor monumenten er ruimte moet zijn om af te kunnen wijken van de eisen van het Bouwbesluit 2012.

In de Memorie van Toelichting bij de WKB wordt gewezen op de bepaling in het Bouwbesluit 2012 dat de omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument voor gaat op de overige technische eisen uit het Bouwbesluit 2012. Het wetsvoorstel beoogt daarbij niets te wijzigen in de beoordeling van een aanvraag voor het wijzigen van een monument. Het bevoegde gezag dient in voorkomende gevallen rekening te houden met het feit dat het bouwwerk een monument is en zo nodig afwijkende bouwtechnische voorschriften aan een vergunning te verbinden. De ‘kwaliteitsborger’ dient hier vervolgens eveneens rekening mee te houden.

Als gevolg van de WKB hoeven er bij een omgevingsvergunningaanvraag er geen bouwplannen te worden ingediend bij de gemeente, omdat de gemeente dus niet meer preventief toetst aan de bouwtechnische voorschriften. Dit roept wel de vraag op in hoeverre het bevoegde gezag dan in staat is afwijkende bouwvoorschriften voor monumenten te formuleren. In de Memorie van Toelichting wordt daarom gesteld dat nog bekeken zal worden in hoeverre de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument moeten worden aangepast.

De vraag is echter wel nog op welke termijn de WKB voor monumenten zal gaan gelden. In de twee aangenomen moties over monumenten wordt namelijk aan de regering gevraagd de WKB pas later op monumenten van toepassing te verklaren. Hierbij wordt benadrukt dat constructie en techniek van een monument ook monumentale waarden kunnen bevatten. Monumenten zouden dan ook niet eerder onder de WKB moeten worden gebracht dan nadat vaststaat dat monumentale waarden niet verloren gaan door de splitsing van bouwtechniek en de monumentenkwaliteit.

De beoogde inwerkingtreding van de WKB is momenteel 1 januari 2018. Of deze wet dan ook voor monumenten zal gelden, moet dus nog blijken.

« Vorige pagina