DeClerck

Invordering dwangsom monument

Het gemeentebestuur van Maastricht heeft een dwangsom van € 10.000,– ingevorderd, omdat de eigenaar van een monument niet (tijdig) aan de last onder dwangsom zou hebben voldaan. Die was opgelegd, omdat de eigenaar zonder vergunning een monument had verbouwd. Via de rechtbank wordt de zaak aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (de Afdeling) voorgelegd. Die kent geen genade voor het standpunt van de eigenaar dat hij wel aan de last heeft voldaan en dat de gemeente niet heeft bewezen, aan de hand van foto’s, dat dit niet zo is. Volgens de Afdeling mocht het gemeentebestuur volstaan met de rapportage van de ter zake deskundige toezichthouder van de gemeente, die tijdens een controle heeft geconstateerd dat niet geheel aan de last was voldaan. Daarbij stelt de Afdeling vast dat de rapportage aan de eisen voldeed die daaraan kunnen worden gesteld. Foto’s als nader bewijs dat niet aan de last is voldaan, zijn dan niet nodig.

Een drietal opmerkingen bij deze zaak.

Allereerst lijkt niet te zijn geprocedeerd tegen de oplegging van de last onder dwangsom zelf. Het is zeer onverstandig dat niet te doen, als men het niet eens is met de opgelegde last onder dwangsom, en de pijlen pas te richten op de invordering van de dwangsom. De rechterlijke toetsing ten aanzien van de invordering is namelijk uitermate marginaal als de last onder dwangsom eenmaal onherroepelijk is geworden. De bestuursrechter die de invordering toetst, dient dan immers van de rechtmatigheid van de last onder dwangsom uit te gaan. Als aan die last dan niet is voldaan, dan kan hij weinig anders dan de invordering goedkeuren. Indien een eigenaar zich neerlegt bij de last onder dwangsom, dan is het dus van groot belang dat hij tijdig en volledig aan de last voldoet, omdat zich anders het risico verwezenlijkt, zoals in dit geval, dat de dwangsom alsnog wordt verbeurd.

Ten tweede lijkt de eigenaar weinig te hebben gedaan aan de vergaring en aanlevering van deugdelijk tegenbewijs. Het was aan hem, zowel bij de rechtbank als bij de Afdeling, om te bewijzen dat hij aan de last had voldaan, zodat invordering van de dwangsom onterecht was. Hij had niet moeten volstaan met de opmerking dat de gemeente onvoldoende heeft bewezen dat niet aan de last is voldaan, maar zelf materiaal (foto’s) en een eventueel een rapport van een deskundige moeten overleggen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat wel aan de last was voldaan.

Ten slotte is het opmerkelijk dat de last onder dwangsom volgens deze uitspraak is gebaseerd op schending van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die bepaling ziet op bouwen in het algemeen. In casu was, volgens de uitspraak althans, sprake van werkzaamheden in een monument. Als dat een rijksmonument was, waarom is de handhaving dan niet gebaseerd geweest op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f? Dat verbiedt het verbouwen van een rijksmonument zonder omgevingsvergunning. En als het een gemeentelijk monument was, had de handhaving dan niet via de band van 2.2., eerste lid, aanhef, onder b, sub 1 en 2, moeten worden gespeeld? Raadselachtig, maar wellicht hadden deze vragen kansen geboden in een procedure tegen de last onder dwangsom zelf.

 Zie: ABRvS 30 april 2014, 201305542/1/A1

Ontgronding bij een archeologische vindplaats en een rijksmonument

In deze zaak speelt een verzoek om voorlopige voorziening van de Stichting Dorp en Erfgoed Arcen gericht tegen een ontgrondingenvergunning verleend door Gedeputeerde Staten van Limburg. De ontgrondingenvergunning in kwestie maakt de aanleg van een waterberging mogelijk in een gebied waarin een archeologische rijksmonument is gelegen (Witfelder Dijk) en dat grenst aan een rijksmonument (Aldt Huys).

De stichting meent dat een monumentenvergunning als bedoeld in de Monumentenwet 1988 had moeten worden aangevraagd en verleend voor zover het om het archeologisch rijksmonument gaat. Verder zou onvoldoende onderzoek zijn gedaan, met name naar de samenhang tussen de twee monumenten. Ten slotte zouden de vergunningsvoorschriften ontoereikend zijn, met name met betrekking tot herstel in de oorspronkelijke toestand na afloop van de werkzaamheden.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat geen reden is de ontgrondingenvergunning te schorsen nu daarin voldoende rekening is gehouden met de archeologische vindplaats (Witfelder Dijk) en dat niet aannemelijk is dat door realisatie van de waterberging een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Immers, de ontgronding is ter hoogte van de dijk slechts gering (30cm) en de deklaag zal opnieuw worden aangebracht. Voor zover het om het Aldt Huys gaat overweegt de voorzitter dat de ontgronding buiten de grenzen van dit monumentale perceel plaatsvindt. Al met al geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Zie: Vz. ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1273

Aanwijzing tot archeologisch monument

Monumenten bevinden zich niet alleen boven de grond, maar ook in de grond. In dat geval spreken we over archeologische monumenten. De minister kan zodoende ook terreinen aanwijzen als beschermd monument. Zo geschiedde ook ten aanzien van het Archeologiepark/Stadspark in Leidsche Rijn te Utrecht. Een aantal bewoners gingen hiertegen in beroep. Uiteindelijk besliste de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in hoger beroep.

Deze uitspraak maakt weer eens inzichtelijk dat het bij een besluit tot aanwijzing van een object als (rijks)monument om het algemeen belang gaat dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed. Dit belang dient vervolgens afgewogen te worden tegen de belangen die de – in dit geval – bewoners van percelen hebben bij het achterwege laten van die aanwijzing.

Eerder had de rechtbank overwogen dat het telkens aanvragen van een vergunning op zichzelf reeds onevenredig belemmerend is en de aanwijzing van de percelen om die reden achterwege zou moeten blijven. De ABRvS vernietigt echter deze uitspraak. De rechtbank heeft namelijk ten onrechte niet onderkend dat de minister de omvang van de bescherming nader heeft omschreven. Hierdoor mogen de appellerende bewoners in beginsel tot 1,20 meter zonder vergunning de bodem verstoren. Volgens de ABRvS is zodoende normaal gebruik van hun tuin mogelijk. De aanwijzing betekent ten slotte niet dat er in de diepere grondlagen nooit werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, maar dat hierover eerst dient te worden beslist in de daarvoor vereiste vergunningprocedure.

De bewoners voerden in deze procedure nog aan dat na het proefsleuvenonderzoek van 1998, waarop de aanwijzing is gebaseerd, de grond al is verstoord door de bouw van hun woningen. De minister heeft volgens de ABRvS echter toen al afdoende voorzorgsmaatregelen getroffen door onder andere het bestaande maaiveld met een meter op te hogen, waardoor de archeologische grondlaag beperkt is verstoord. Het algemeen belang van behoud van cultureel erfgoed weegt in deze zaak uiteindelijk dan ook zwaarder dan de individuele belangen van de bewoners.

Zie: ABRvS 2 juli 2014, nr. 201306923/1/A2

Vernietiging aanwijzing Christus Koningkerk tot gemeentelijk monument

De Christus Koningkerk te Heerlen wordt niet meer gebruikt en staat leeg. Het kerkbestuur zoekt al jaren naar een sociaal-maatschappelijk verantwoorde herbestemming, maar is daar nog niet in geslaagd. De schuldenlast is ondertussen opgelopen tot € 200.000,–. Met een onherroepelijke sloopvergunning reeds op zak lijkt een oplossing nabij, maar dit plan wordt gedwarsboomd door het Cuypersgenootschap, dat een aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument indient.

Na een aanvankelijke weigering wijst het college van Burgemeester en Wethouders uiteindelijk de kerk aan als gemeentelijke monument. Aan de herbestemmingsproblematiek wordt dus geen doorslaggevende betekenis toegekend. Het kerkbestuur gaat in beroep, maar dit wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Er wordt vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Het hoger beroep is wel succesvol. De ABRvS bevestigt in haar uitspraak  namelijk haar eerdere uitspraak van 3 april 2013 betreffende de Sint Petruskerk te Blaricum. Hierin wordt duidelijk dat ondanks de beleidsvrijheid van het college bij de aanwijzing van een monument, deze vrijheid begrensd wordt door de lokale monumentenverordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo oordeelt de ABRvS dat de onderhavige aanwijzing tot monument niet berust op een deugdelijke motivering en het geen blijk geeft van een evenwichtige belangafweging. Zij vernietigt dus de aanwijzing.

Het volgende kan op basis van deze uitspraak geconcludeerd worden. Wanneer behoud van het als beschermd monument aan te wijzen object slecht door middel van herbestemming gerealiseerd kan worden; de herbestemmingsmogelijkheden al onderzocht zijn; en de uitkomst van dat onderzoek is dat er (nog) geen (financieel) haalbare mogelijkheden bestaan. Dan moet de herbestemming van het object bij de aanwijzing aan de orde komen. Het college mag de (problemen van) herbestemming dus niet doorschuiven naar een vergunningprocedure over de wijziging van een monument of de sloop ervan. De herbestemming is in deze situatie dusdanig concreet, dat het niet een belang is dat later pas meegewogen hoeft te worden.

Zie: ABRvS 16 juli 2014, nr. 201311350/1/A2

Schadevergoeding na weigering intrekking aanwijzing monument?

Wanneer men een pand wil verkopen waar een monumentenstatus op rust, wordt deze monumentenstatus vaak door potentiële kopers als een beperking gezien. Zeker wanneer er plannen zijn om het pand te slopen in plaats van het te renoveren. Een rendabel project is dan meer het doel van de aankoop dan het in goede staat onderhouden van de te beschermen aspecten van het monument.

In de zaak die tot de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 juli 2014 leidde, wilden de kopers van het gemeentelijk monument ook liever slopen dan het pand renoveren. Met de verkopende partij is daarom overeengekomen dat in aanvulling op de koopsom € 60.000 zal worden betaald, indien vóór een bepaalde datum de monumentenstatus wordt ingetrokken dan wel een sloopvergunning wordt verleend.

Het college van B&W weigerde echter het verzoek hiertoe van de verkopende partij. Op grond van de lokale monumentenverordening verzocht de verkopende partij de gemeenteraad vervolgens om een schadevergoeding, omdat hij door deze weigering het aanvullende bedrag van € 60.000 is misgelopen. De gemeenteraad wijst dit verzoek af en verklaart het bezwaar hiertegen ongegrond.

In beroep beoordeelt de rechtbank of de gemeenteraad het schadeverzoek terecht heeft afgewezen. Ten grondslag aan de weigering lagen twee adviezen, die vaststelden dat de monumentenstatus geen waardedrukkend effect heeft gehad ten tijde van de verkoop. De stelling dat de grondwaarde lager was dan de waarde van de gehele onroerende zaak, waardoor een hogere opbrengst alleen bereikt kon worden door renovatie en niet door herontwikkeling na sloop, wordt niet betwist. De rechtbank ziet daarom geen oorzakelijk verband tussen de weigering om de monumentenstatus in te trekken dan wel een sloopvergunning te verlenen en de geleden schade. De schade is het gevolg van de beslissing om een opschortende voorwaarde met de kopers van het pand overeen te komen.

De eigen taxatie van de verkoperde partij doet aan dit oordeel niet af, omdat hieruit niet blijkt dat er bij de waardebepaling rekening is gehouden met de mate van bescherming en daarmee de beperkingen als gevolg van de monumentenstatus. Nu ook niet aannemelijk is gemaakt dat er gebreken kleven aan de adviezen aan de gemeenteraad, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat beroep open.

Zie: Rechtbank Gelderland 18 juli 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:5189

Monumentenvergunning funderingsherstel gemeenschappelijke bouwmuur

In deze zaak komen eisers op tegen een verleende monumentenvergunning voor het uitvoeren van funderingsherstel aan een gemeenschappelijke bouwmuur; een van de panden is een monument. Het onderzoek naar de noodzaak van het herstel en de gevolgen voor de monumentale waarden, zou volgens eisers onzorgvuldig zijn. Met name het alleen herstellen van de gemeenschappelijke bouwmuur zou ongelijkmatige verzakking van hun monument tot gevolg hebben. Het monument verzakt nu namelijk gelijkmatig.

De Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam heeft voorafgaand aan de vergunningverlening het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum geadviseerd. De commissie oordeelde dat het funderingsherstel noodzakelijk is en dat de gevolgen voor de monumentale waarden acceptabel zijn. Terzijde merkt zij ook op dat het partieel funderingsherstel van het naastgelegen monument risicovol kan zijn, omdat de niet herstelde fundering op termijn kan nazakken.

Na het overleggen van meerdere rapportages over het fundering, oordeelt de rechtbank Amsterdam ten eerste dat eisers de noodzaak tot herstel van de bouwmuur onvoldoende hebben ontkracht. De vervolgvraag is of door dit herstel de monumentale waarden van het monument onevenredig worden aangetast. Hierbij moeten dan niet alleen de gevolgen voor de gemeenschappelijk bouwmuur in aanmerking genomen worden, maar het monument als geheel. Het eventuele nazakken, moet daardoor dus wel in ogenschouw genomen worden.

Mede omdat het niet herstellen van de gemeenschappelijke bouwmuur ook tot eventuele schade aan het monument kan leiden, oordeelt de rechtbank ten slotte dat er geen reden is waarom het dagelijks bestuur het advies van de commissie in redelijkheid niet heeft kunnen volgen. De rechtbank toetst vanwege dit deskundigenadvies de vergunningverlening dus terughoudend. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak staat beroep open.

Zie: Rechtbank Amsterdam 4 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1894

Vervangen kozijnen monument vergunningvrij?

Het vervangen van kozijnen als vergunningvrije bouwactiviteit
In de uitspraak van 19 maart 2014 spreekt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich uit over de vergunningvrijheid van het vervangen van kozijnen.

Volgens aanvrager in deze zaak is voor zijn bouwplan, dat ziet op het vervangen van een deel van de kozijnen, geen omgevingsvergunning nodig. Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ nodig, indien de activiteiten betrekking hebben op gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen.

De ABRvS overweegt dat er alleen geen omgevingsvergunning nodig is als zowel de detaillering áls de profilering én de vormgeving niet wijzigen. Dit zijn dus cumulatieve voorwaarden. Nu de bestaande kozijnen worden vervangen door kozijnen met een andere profilering oordeelt de Afdeling dat er niet aan de cumulatieve voorwaarden is voldaan en er dus geen sprake is van ‘gewoon onderhoud’. Er is dus wel een omgevingsvergunning nodig. Het hoger beroep wordt voor zover ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 19 maart 2014, TBR 2014/62, noot, ECLI:NL:RVS:2014:999

Het vervangen van kozijnen in een monument
Buiten de context van deze uitspraak moet nog worden opgemerkt dat artikel 3a lid 1 Bijlage II bij het Bor aanvullende voorwaarden stelt ten aanzien van het vervangen van kozijnen in een rijksmonument (voor gemeentelijke monumenten geldt de lokale monumentenverordening). Het vervangen van kozijnen omvat dan namelijk twee samenhangende, tevens in beginsel vergunningplichtige activiteiten. Dit zijn de activiteiten ‘bouwen’ en het ‘wijzigen van een monument’.

Het Bor bepaalt dat er uitzonderingen zijn op de vergunningplicht met betrekking tot deze activiteiten. Om de deelactiviteit ‘bouwen’ vergunningvrij te mogen uitvoeren, gelden ten eerste de cumulatieve voorwaarden zoals hierboven beschreven. Om de deelactiviteit ‘wijzigen van een monument’ vergunningvrij te mogen uitvoeren, geldt aanvullend dat ook de materiaalsoort en de kleur van de kozijnen niet mogen wijzigen.

Op basis van de Nota van Toelichting bij het Bor kunnen deze artikelen en het verschil hiertussen als volgt nader worden verklaard. In een huis dat geen monument is, gelden alleen de voorwaarden verbonden aan de activiteit ‘bouwen’. In dat geval valt ook het geheel vervangen van kozijnen door hetzelfde type kozijnen – met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling – onder het normale onderhoud. Het doorslaggevende criterium is dat er geen wijziging optreedt in het uiterlijk van de kozijnen.  Het vervangen van bijvoorbeeld houten kozijnen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige houtachtige uitstraling – plus gelijke detaillering, profilering én vormgeving – is dan vergunningvrij.

In een huis dat wel een monument is, gelden, naast deze voorwaarden, aanvullend de voorwaarden voor de activiteit ‘wijzigen van een monument’. Het gelijkblijvende uiterlijk is dan niet meer het doorslaggevende criterium voor het vergunningvrij vervangen van kozijnen, want de materiaalsoort mag volgens deze aanvullende voorwaarden niet worden gewijzigd. Ook in de materiaalsoort kan immers monumentale waarde gelegen zijn, bijvoorbeeld vanwege de ouderdom of de authenticiteit van het materiaal. Het vervangen van houten kozijnen door kunststof kozijnen met houtachtige uitstraling is dus niet vergunningvrij in een monument.

Welke onderhoudsactiviteiten aan kozijnen in een monument zijn dan wel vergunningvrij? In de Nota van Toelichting bij het Bor wordt expliciet het voorbeeld genoemd: het plaatselijk herstellen van kozijnen. Dit omvat in ieder geval het aanlassen van verrot kozijnhout en schilderwerk in dezelfde kleur.

Conclusie
Het geheel vervangen van kozijnen in een monument is niet vergunningvrij. Enkel plaatselijke herstelwerkzaamheden met respect voor de bestaande situatie vallen onder het vergunningvrije onderhoud.

Via bestemmingsplan bescherming van karakteristieke panden tegen sloop

In deze uitspraak gaat het om de toekenning van een bouwaanduiding ‘karakteristiek’ in een bestemmingsplan aan een bestaande schoorsteen en bestaande opslagbouw op een bedrijventerrein. Verder is in het bestemmingsplan bepaald dat voor het slopen van bouwwerken met deze aanduiding een omgevingsvergunning vereist is. De schoorsteen is ook aangemerkt als gemeentelijk monument. De eigenaar van het fabriekspand betoogt dat de aanduiding rechtsonzeker is, omdat een omgevingsvergunning vereist is voor het slopen en onduidelijk is of de bestaande schoorsteen vervangen mag worden door een roestvast stalen model.

In artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat dat in de bestemmingsplannen door middel van de eis van een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken een ‘verwezenlijkte bestemming gehandhaafd en beschermd kan worden’. In artikel 2.1. eerste lid onderdeel g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het sloopvergunningstelsel genoemd. De combinatie van deze artikelen heeft discussie opgeleverd over de criteria waaraan de sloopvergunning getoetst zou moeten worden. De Afdeling heeft bepaald dat de criteria voor deze sloopvergunning in de Wabo en de Wro niet uitputtend zijn. Dit betekent dat de criteria voor het weigeren van de sloopvergunning in het bestemmingsplan kunnen worden vastgelegd. Het behoud van cultuurhistorische waarde, zoals in in dit geval aan de orde, kan een legitiem motief zijn. De Afdeling overweegt dat door toekenning van de bouwaanduiding ‘karakteristiek’ de cultuurhistorische waarde van de bouwwerken wordt beschermd. De bouwregels zijn voldoende duidelijk in het bestemmingsplan vastgelegd. De vraag of de schoorsteen vervangen kan worden door een stalen model betreft een uitvoeringsaspect, dat niet in een bestemmingsplan kan worden vastgelegd. Het ingestelde beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 15 januari 2014, zaaknummer:201306711/1/A1, TBR 2014/60 en ECLI:NL:RVS:2014:67

Afwijzing verzoek om aanwijzing als beschermd rijksmonument

Ondanks het positief advies van de Raad voor Cultuur (RvC) heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag om de Bentheimer waterput uit 1575 aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen. Er moet vanuit worden gegaan dat de eerder voor de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2006 geformuleerde beoordelingscriteria, ook bij in dit geval toepasselijke Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 nog van toepassing zijn. Dit betekent dat een monument van vóór 1940 alleen als beschermd monument kan worden aangewezen, indien sprake is van een topmonument. Uit de toelichting bij de eerdere Tijdelijke Beleidsregel 2006 blijkt dat een monument vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangewezen als topmonument. Bovendien moet het monument een onmisbare ijkwaarde hebben ten opzichte van het overige bouwbestand.

Deze criteria zijn niet nadrukkelijk meegenomen in het door RvC gegeven advies. Nu er reeds Bentheimer waterputten worden beschermd, is volgens de Minister geen sprake van een onmisbare ijkwaarde ten opzichte van het overige bouwbestand. De Afdeling oordeelt dan ook dat de Minister op goede gronden het verzoek om aanwijzing als rijksmonument heeft afgewezen. Het ingestelde hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Buiten de context van deze uitspraak kan worden vastgesteld dat de Tijdelijke Beleidsregel 2007 al weer is opgevolgd door nieuw vastgestelde Tijdelijke Beleidsregels. De bestendige lijn is dat monumenten van voor 1940 alleen nog kunnen worden aangewezen als sprake is van een bedreigd topmonument.

Zie: ABRvS 19 maart 2014, zaaksnummer 201303779/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:941

Advies monumentencommissie leidend bij besluit tot aanwijzing van gemeentelijk monument

Naar aanleiding van het verzoek om het bataljonshoofdkwartier ‘Widerstandsnest’, onderdeel van de voormalige linie ‘Atlantikwall’ uit de Tweede Wereldoorlog (hierna: het bunkercomplex) aan te wijzen als monument heeft het college van burgemeester en wethouders conform de gemeentelijke Monumentenverordening de monumentencommissie om advies gevraagd. Deze heeft geadviseerd het bunkercomplex aan te wijzen als monument, omdat de hospitaalbunker, commandobunker en de overige bunkers ensemblewaarde hebben. Het complex heeft een bijzondere cultuur- en krijgshistorische waarde. Volgens de eigenaar zijn slechts negen van vierendertig bunkers intact. Ook vertegenwoordigen de commandobunker en het logiesverblijf geen cultuurhistorische waarde. De eigenaar heeft dan ook beroep ingesteld tegen het besluit om het volledige complex als monument aan te wijzen.

De Afdeling stelt voorop dat het college zich bij haar besluit mag baseren op het advies van de monumentencommissie, tenzij dit advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het college daarop niet had mogen afgaan. De eigenaar heeft geen deskundigenrapport overgelegd, waaruit blijkt dat het advies niet deugdelijk tot stand is gekomen of gebreken vertoont.

Verder slaagt het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008 (zaaknr. 200702826/1) niet. In deze eerdere uitspraak was sprake van verschillende verzoeken, waarbij de monumentale waarde afzonderlijk moest worden beoordeeld. In dit geval betreft het verzoek om aanwijzing het gehele bunkercomplex, waarbij besloten is het ensemble aan te wijzen als monument. Ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012 (zaaknr. 201106366/1/A2) slaagt niet. Het betoog dat bijgebouwen niet beschermingswaardig zouden zijn, berust op een verkeerde lezing van deze uitspraak. De Afdeling heeft niet geoordeeld dat bijgebouwen niet beschermingswaardig zijn. In tegenstelling tot in de aangehaalde uitspraak, maken de bunkers in dit geval wel onderdeel uit van het aangewezen monument.

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 4 april 2012 en 7 november 2012 (zaaknrs. 201106366/1/A2 en 201202115/1/A2) overweegt de Afdeling dat een financieel belang onvoldoende grond is om van afwijzing af te zien en dat de aanwijzing niet inhoudt dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang zou kunnen vinden.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dan ook in drie afzonderlijke uitspraken het door de eigenaar van het perceel ingestelde hoger beroep tegen het besluit tot aanwijzing van het op zijn grond gelegen volledige bunkercomplex als gemeentelijke monument ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 12 maart 2014, zaaknummers: 201305451/1/A2, 201307709/1/1A2, 201305345/1/1A2, ECLI:NL:RVS:2014:874

« Vorige paginaVolgende pagina »