DeClerck

Monumentenvergunning funderingsherstel gemeenschappelijke bouwmuur

In deze zaak komen eisers op tegen een verleende monumentenvergunning voor het uitvoeren van funderingsherstel aan een gemeenschappelijke bouwmuur; een van de panden is een monument. Het onderzoek naar de noodzaak van het herstel en de gevolgen voor de monumentale waarden, zou volgens eisers onzorgvuldig zijn. Met name het alleen herstellen van de gemeenschappelijke bouwmuur zou ongelijkmatige verzakking van hun monument tot gevolg hebben. Het monument verzakt nu namelijk gelijkmatig.

De Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam heeft voorafgaand aan de vergunningverlening het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum geadviseerd. De commissie oordeelde dat het funderingsherstel noodzakelijk is en dat de gevolgen voor de monumentale waarden acceptabel zijn. Terzijde merkt zij ook op dat het partieel funderingsherstel van het naastgelegen monument risicovol kan zijn, omdat de niet herstelde fundering op termijn kan nazakken.

Na het overleggen van meerdere rapportages over het fundering, oordeelt de rechtbank Amsterdam ten eerste dat eisers de noodzaak tot herstel van de bouwmuur onvoldoende hebben ontkracht. De vervolgvraag is of door dit herstel de monumentale waarden van het monument onevenredig worden aangetast. Hierbij moeten dan niet alleen de gevolgen voor de gemeenschappelijk bouwmuur in aanmerking genomen worden, maar het monument als geheel. Het eventuele nazakken, moet daardoor dus wel in ogenschouw genomen worden.

Mede omdat het niet herstellen van de gemeenschappelijke bouwmuur ook tot eventuele schade aan het monument kan leiden, oordeelt de rechtbank ten slotte dat er geen reden is waarom het dagelijks bestuur het advies van de commissie in redelijkheid niet heeft kunnen volgen. De rechtbank toetst vanwege dit deskundigenadvies de vergunningverlening dus terughoudend. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak staat beroep open.

Zie: Rechtbank Amsterdam 4 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1894

Vervangen kozijnen monument vergunningvrij?

Het vervangen van kozijnen als vergunningvrije bouwactiviteit
In de uitspraak van 19 maart 2014 spreekt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich uit over de vergunningvrijheid van het vervangen van kozijnen.

Volgens aanvrager in deze zaak is voor zijn bouwplan, dat ziet op het vervangen van een deel van de kozijnen, geen omgevingsvergunning nodig. Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ nodig, indien de activiteiten betrekking hebben op gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen.

De ABRvS overweegt dat er alleen geen omgevingsvergunning nodig is als zowel de detaillering áls de profilering én de vormgeving niet wijzigen. Dit zijn dus cumulatieve voorwaarden. Nu de bestaande kozijnen worden vervangen door kozijnen met een andere profilering oordeelt de Afdeling dat er niet aan de cumulatieve voorwaarden is voldaan en er dus geen sprake is van ‘gewoon onderhoud’. Er is dus wel een omgevingsvergunning nodig. Het hoger beroep wordt voor zover ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 19 maart 2014, TBR 2014/62, noot, ECLI:NL:RVS:2014:999

Het vervangen van kozijnen in een monument
Buiten de context van deze uitspraak moet nog worden opgemerkt dat artikel 3a lid 1 Bijlage II bij het Bor aanvullende voorwaarden stelt ten aanzien van het vervangen van kozijnen in een rijksmonument (voor gemeentelijke monumenten geldt de lokale monumentenverordening). Het vervangen van kozijnen omvat dan namelijk twee samenhangende, tevens in beginsel vergunningplichtige activiteiten. Dit zijn de activiteiten ‘bouwen’ en het ‘wijzigen van een monument’.

Het Bor bepaalt dat er uitzonderingen zijn op de vergunningplicht met betrekking tot deze activiteiten. Om de deelactiviteit ‘bouwen’ vergunningvrij te mogen uitvoeren, gelden ten eerste de cumulatieve voorwaarden zoals hierboven beschreven. Om de deelactiviteit ‘wijzigen van een monument’ vergunningvrij te mogen uitvoeren, geldt aanvullend dat ook de materiaalsoort en de kleur van de kozijnen niet mogen wijzigen.

Op basis van de Nota van Toelichting bij het Bor kunnen deze artikelen en het verschil hiertussen als volgt nader worden verklaard. In een huis dat geen monument is, gelden alleen de voorwaarden verbonden aan de activiteit ‘bouwen’. In dat geval valt ook het geheel vervangen van kozijnen door hetzelfde type kozijnen – met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling – onder het normale onderhoud. Het doorslaggevende criterium is dat er geen wijziging optreedt in het uiterlijk van de kozijnen.  Het vervangen van bijvoorbeeld houten kozijnen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige houtachtige uitstraling – plus gelijke detaillering, profilering én vormgeving – is dan vergunningvrij.

In een huis dat wel een monument is, gelden, naast deze voorwaarden, aanvullend de voorwaarden voor de activiteit ‘wijzigen van een monument’. Het gelijkblijvende uiterlijk is dan niet meer het doorslaggevende criterium voor het vergunningvrij vervangen van kozijnen, want de materiaalsoort mag volgens deze aanvullende voorwaarden niet worden gewijzigd. Ook in de materiaalsoort kan immers monumentale waarde gelegen zijn, bijvoorbeeld vanwege de ouderdom of de authenticiteit van het materiaal. Het vervangen van houten kozijnen door kunststof kozijnen met houtachtige uitstraling is dus niet vergunningvrij in een monument.

Welke onderhoudsactiviteiten aan kozijnen in een monument zijn dan wel vergunningvrij? In de Nota van Toelichting bij het Bor wordt expliciet het voorbeeld genoemd: het plaatselijk herstellen van kozijnen. Dit omvat in ieder geval het aanlassen van verrot kozijnhout en schilderwerk in dezelfde kleur.

Conclusie
Het geheel vervangen van kozijnen in een monument is niet vergunningvrij. Enkel plaatselijke herstelwerkzaamheden met respect voor de bestaande situatie vallen onder het vergunningvrije onderhoud.

Via bestemmingsplan bescherming van karakteristieke panden tegen sloop

In deze uitspraak gaat het om de toekenning van een bouwaanduiding ‘karakteristiek’ in een bestemmingsplan aan een bestaande schoorsteen en bestaande opslagbouw op een bedrijventerrein. Verder is in het bestemmingsplan bepaald dat voor het slopen van bouwwerken met deze aanduiding een omgevingsvergunning vereist is. De schoorsteen is ook aangemerkt als gemeentelijk monument. De eigenaar van het fabriekspand betoogt dat de aanduiding rechtsonzeker is, omdat een omgevingsvergunning vereist is voor het slopen en onduidelijk is of de bestaande schoorsteen vervangen mag worden door een roestvast stalen model.

In artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) staat dat in de bestemmingsplannen door middel van de eis van een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken een ‘verwezenlijkte bestemming gehandhaafd en beschermd kan worden’. In artikel 2.1. eerste lid onderdeel g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het sloopvergunningstelsel genoemd. De combinatie van deze artikelen heeft discussie opgeleverd over de criteria waaraan de sloopvergunning getoetst zou moeten worden. De Afdeling heeft bepaald dat de criteria voor deze sloopvergunning in de Wabo en de Wro niet uitputtend zijn. Dit betekent dat de criteria voor het weigeren van de sloopvergunning in het bestemmingsplan kunnen worden vastgelegd. Het behoud van cultuurhistorische waarde, zoals in in dit geval aan de orde, kan een legitiem motief zijn. De Afdeling overweegt dat door toekenning van de bouwaanduiding ‘karakteristiek’ de cultuurhistorische waarde van de bouwwerken wordt beschermd. De bouwregels zijn voldoende duidelijk in het bestemmingsplan vastgelegd. De vraag of de schoorsteen vervangen kan worden door een stalen model betreft een uitvoeringsaspect, dat niet in een bestemmingsplan kan worden vastgelegd. Het ingestelde beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 15 januari 2014, zaaknummer:201306711/1/A1, TBR 2014/60 en ECLI:NL:RVS:2014:67

Afwijzing verzoek om aanwijzing als beschermd rijksmonument

Ondanks het positief advies van de Raad voor Cultuur (RvC) heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag om de Bentheimer waterput uit 1575 aan te wijzen als beschermd rijksmonument afgewezen. Er moet vanuit worden gegaan dat de eerder voor de Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2006 geformuleerde beoordelingscriteria, ook bij in dit geval toepasselijke Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 nog van toepassing zijn. Dit betekent dat een monument van vóór 1940 alleen als beschermd monument kan worden aangewezen, indien sprake is van een topmonument. Uit de toelichting bij de eerdere Tijdelijke Beleidsregel 2006 blijkt dat een monument vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde kan worden aangewezen als topmonument. Bovendien moet het monument een onmisbare ijkwaarde hebben ten opzichte van het overige bouwbestand.

Deze criteria zijn niet nadrukkelijk meegenomen in het door RvC gegeven advies. Nu er reeds Bentheimer waterputten worden beschermd, is volgens de Minister geen sprake van een onmisbare ijkwaarde ten opzichte van het overige bouwbestand. De Afdeling oordeelt dan ook dat de Minister op goede gronden het verzoek om aanwijzing als rijksmonument heeft afgewezen. Het ingestelde hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Buiten de context van deze uitspraak kan worden vastgesteld dat de Tijdelijke Beleidsregel 2007 al weer is opgevolgd door nieuw vastgestelde Tijdelijke Beleidsregels. De bestendige lijn is dat monumenten van voor 1940 alleen nog kunnen worden aangewezen als sprake is van een bedreigd topmonument.

Zie: ABRvS 19 maart 2014, zaaksnummer 201303779/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:941

Advies monumentencommissie leidend bij besluit tot aanwijzing van gemeentelijk monument

Naar aanleiding van het verzoek om het bataljonshoofdkwartier ‘Widerstandsnest’, onderdeel van de voormalige linie ‘Atlantikwall’ uit de Tweede Wereldoorlog (hierna: het bunkercomplex) aan te wijzen als monument heeft het college van burgemeester en wethouders conform de gemeentelijke Monumentenverordening de monumentencommissie om advies gevraagd. Deze heeft geadviseerd het bunkercomplex aan te wijzen als monument, omdat de hospitaalbunker, commandobunker en de overige bunkers ensemblewaarde hebben. Het complex heeft een bijzondere cultuur- en krijgshistorische waarde. Volgens de eigenaar zijn slechts negen van vierendertig bunkers intact. Ook vertegenwoordigen de commandobunker en het logiesverblijf geen cultuurhistorische waarde. De eigenaar heeft dan ook beroep ingesteld tegen het besluit om het volledige complex als monument aan te wijzen.

De Afdeling stelt voorop dat het college zich bij haar besluit mag baseren op het advies van de monumentencommissie, tenzij dit advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het college daarop niet had mogen afgaan. De eigenaar heeft geen deskundigenrapport overgelegd, waaruit blijkt dat het advies niet deugdelijk tot stand is gekomen of gebreken vertoont.

Verder slaagt het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008 (zaaknr. 200702826/1) niet. In deze eerdere uitspraak was sprake van verschillende verzoeken, waarbij de monumentale waarde afzonderlijk moest worden beoordeeld. In dit geval betreft het verzoek om aanwijzing het gehele bunkercomplex, waarbij besloten is het ensemble aan te wijzen als monument. Ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012 (zaaknr. 201106366/1/A2) slaagt niet. Het betoog dat bijgebouwen niet beschermingswaardig zouden zijn, berust op een verkeerde lezing van deze uitspraak. De Afdeling heeft niet geoordeeld dat bijgebouwen niet beschermingswaardig zijn. In tegenstelling tot in de aangehaalde uitspraak, maken de bunkers in dit geval wel onderdeel uit van het aangewezen monument.

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 4 april 2012 en 7 november 2012 (zaaknrs. 201106366/1/A2 en 201202115/1/A2) overweegt de Afdeling dat een financieel belang onvoldoende grond is om van afwijzing af te zien en dat de aanwijzing niet inhoudt dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang zou kunnen vinden.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dan ook in drie afzonderlijke uitspraken het door de eigenaar van het perceel ingestelde hoger beroep tegen het besluit tot aanwijzing van het op zijn grond gelegen volledige bunkercomplex als gemeentelijke monument ongegrond verklaard.

Zie: ABRvS 12 maart 2014, zaaknummers: 201305451/1/A2, 201307709/1/1A2, 201305345/1/1A2, ECLI:NL:RVS:2014:874

Uitgebreide of reguliere voorbereidingsprocedure?

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem heeft aan de Provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een ondergrondse parkeergarage en een nieuwe kantoorvleugel op het perceel Dreef 3 te Haarlem. Volgens appellant in de hoger beroepsprocedure en de procedure om een verzoek om een voorlopige voorziening, is ten onrechte de aangrenzende rijksmonumentale dokterswoning niet in het bouwplan meegenomen. Om die reden is volgens appellant de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing en is het door hem ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Voorop staat dat volgens artikel 3.7 lid 1 Wabo in samenhang met artikel 3.10 lid 1 Wabo de reguliere voorbereidingsprocedure op een aanvraag om een omgevingsvergunning van toepassing is, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. Welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, hangt af van de aangevraagde activiteiten.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat in de aanvraag geen activiteiten zijn opgenomen, die een uitgebreide voorbereidingsprocedure vereisen. Het ingediende bouwplan laat de functie van de dokterswoning ongewijzigd. De aanvraag zag niet op ingrijpende gevolgen voor het rijksmonument. Om die reden was dan ook geen uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. De uitspraak van de rechtbank Noord-Holland wordt bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Zie: ABRvS 19 februari 2014, zaaknummer: 201311187/1/A1 en 201311187/2/A1, ECLI:NL:RVS:2014:702

Motivering noodzakelijk voor afwijking van advies monumentencommissie inzake plaatsing LED scherm

Aan de orde zijn een monumenten- en bouwvergunning (WRO oud) voor het aanbrengen van een LED-scherm aan het City theater, gemeentelijke monument, te Amsterdam. De uitspraak van de Afdeling is interessant, omdat hierin wordt overwogen dat een bestuursorgaan slechts gemotiveerd kan afwijken van een uitgebracht advies door een wettelijk ingestelde gemeentelijke monumentencommissie. In artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht is immers bepaald dat indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, in de motivering van het besluit de redenen voor afwijking worden vermeld.

In dit geval is in de gemeentelijke Monumentenverordening bepaald dat het bestuursorgaan – i.c. het dagelijks bestuur van Stadsdeel Amsterdam Centrum – advies inwint alvorens te beslissen op een monumentenvergunning. De commissie Welstand en Monumenten heeft geadviseerd dat de monumentenvergunning kan worden verleend onder te stellen voorwaarden aan frequentie en lichtsterkte van het te plaatsen LED-scherm. Deze voorwaarden kunnen immers in het belang van de monumentenzorg worden geacht. Volgens de Afdeling kan uit het advies worden afgeleid dat de commissie in beginsel positief is over de aanvraag om een monumentenvergunning en dat deze onder betreffende te stellen voorwaarden kan worden verleend. Er is dan ook geen sprake van een negatief advies. Daaruit volgt dat het dagelijks bestuur diende te motiveren waarom ondanks het positieve advies zij geen monumentenvergunning onder voorwaarden wenste te verlenen.

Zie: ABRvS 19 februari 2014, zaaknummer: 201301736/1/A1, ECLI:NL:RVS:2014:501

Ten onrechte buiten beoordeling laten gegevens BRIM-subsidieaanvraag

In deze tussenuitspraak over een besluit inzake subsidieverlening op grond van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim) is de procedure over de verdeling van de subsidie aan de orde geweest. Stichting Kasteel Heeze (hierna: ‘de Stichting’) heeft een aanvraag gedaan voor de instandhouding van de groene monumenten van Kasteel Heeze. Door middel van een loting onder complete aanvragen is in eerste instantie de aanvraag van de Stichting in behandeling genomen. Vervolgens is bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten dat de subsidiabele kosten lager moesten worden vastgesteld. De in bezwaar door de Stichting overgelegde gegevens om het tegendeel aan te tonen, heeft de minister met een beroep artikel 12 lid 1 van de Brim, dat bepaalt dat de aanvraag compleet moet zijn bij de indiening, buiten beschouwing gelaten. De aanvraag zag door het bepalen van lagere subsidiabele kosten niet langer op een grootschalig instandhoudingsproject, maar op een regulier instandhoudingproject. Het subsidieplafond voor reguliere instandhoudingsprojecten was inmiddels bereikt, waardoor Kasteel Heeze alsnog buiten de boot viel.

De minister had de aangevraagde vergoeding van sommige kostenposten buiten beschouwing gelaten, omdat deze kosten de in een interne richtlijn vastgestelde prijzen overschreden. Deze informatie was de Stichting niet bekend. In bezwaar heeft de Stichting de hoogte van begrotingsposten toegelicht en nadere informatie verstrekt. De Afdeling overweegt dat de door de minister gehanteerde voorbereidingsprocedure zich er niet tegen verzet om deze informatie bij heroverweging in bezwaar te betrekken. Daarvoor is van belang dat de rangschikking van de subsidieaanvragen niet op basis van een inhoudelijke beoordeling tot stand komt, maar door middel van loting. De inhoudelijke beoordeling heeft pas na de loting plaatsgevonden. De Afdeling oordeelt dan ook dat de minister ten onrechte de in bezwaar overgelegde gegevens buiten beschouwing heeft gelaten. De minister wordt opgedragen om een nieuw besluit met inachtneming van de in bezwaar overgelegde gegevens te nemen.

Zie: ABRvS 12 februari 2014, zaaknummer: 201303616/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:421

Wijziging regelgeving horeca in rijksmonumenten

In een tijd waarin voor veel monumenten een herbestemming gevonden moet worden, voert de wetgever een praktische wetswijziging door. Bij besluit van 6 januari 2014 is het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet aangepast. Deze zogenaamde Algemene maatregel van bestuur bevat de eisen van sociale hygiëne waaraan een inrichting ingevolge artikel 10 van de Drank- en Horecawet dient te voldoen. Wanneer een inrichting niet aan deze eisen voldoet, wordt een Drank- en horecawetvergunning geweigerd.

Door de wijziging verandert artikel 5 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. Hierin staat dat een horecalokaliteit voorzien moet zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande goed werkende mechanische ventilatie-inrichting met een luchtverversingscapaciteit.

Aan dit artikel wordt nu een tweede lid toegevoegd dat een uitzondering op deze regel formuleert. Hierdoor hoeft een horecalokaliteit die zich in een beschermd monument bevindt niet meer aan de hoofdregel van artikel 5 te voldoen. Wel dient dan aangetoond te worden dat op een andere wijze in luchtverversing voorzien kan worden die leidt tot een vergelijkbare luchtkwaliteit indien er wel een mechanische ventilatie-inrichting zou zijn geplaatst.

In de Nota van Toelichting schrijft de staatssecretaris dat deze wijziging bijvoorbeeld een uitkomst kan bieden voor een beoogde horecagelegenheid in een oud kerkgebouw waar reeds van nature voldoende luchtverversingscapaciteit is.

Dat deze wijziging wellicht geschillen kan voorkomen, bewijst uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2014, nr. 201306353/1/A1. In deze zaak verzocht een stichting de gemeente Leiden om handhavend op te treden tegen onder meer het plaatsen van een ventilatorunit in een rijksmonument ten behoeve van horeca-activiteiten. Voor dergelijke ventilatie bestaat nu dus een alternatieve oplossing.

Handhaving tegen verloedering van woningen op historische buitenplaats

De vraag welke 800px-Neubourg-004objecten onder de beschermende werking van een aangewezen rijksmonument vallen, blijft opkomen in procedures. Wellicht tegen beter weten in, omdat men nu eenmaal alles uit kast wil halen om bepaalde objecten in stand te houden. Zo ook in de zaak die leidde tot de tussenuitspraak in hoger beroep van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 april 2014.

Appellant vroeg de gemeente Gulpen-Wittem om handhavend op te treden tegen de verloedering van bepaalde percelen op de historische buitenplaats kasteel Neubourg. Op deze percelen staan door onkruid overwoekerde leegstaande woningen. Om handhavend op te kunnen treden dient er wel een overtreden norm te worden vastgesteld.

De eerste norm die appellant geschonden acht, houdt verband met de beschermende werking van een monumentenstatus. In de Monumentenwet 1988 is geen onderhoudsverplichting is opgenomen, maar een monument zodanig laten verloederen dat het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht is volgens jurisprudentie wel in strijd met de vergunningplicht neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De ABRvS komt echter niet tot toetsing aan deze norm. Zij volgt namelijk niet de stelling van appellant dat nu de gehele buitenplaats als monument is aangewezen, alle zich daarop bevindende bebouwingen onder de monumentenstatus vallen. Met verwijzing naar haar eerdere uitspraken, nrs. 201205158/1/A2 en 20120876/1/A2, had de rechtbank volgens de ABRvS terecht overwogen dat niet het kadastrale perceel de grondslag is voor de bescherming van wat zich daarop bevindt, maar dat slechts beschermd is datgene wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke eenheid is genoemd in de redengevende omschrijving. Nu de verloederde woningen niet expliciet genoemd worden in de redengevende omschrijving, is de gemeente niet gehouden tot handhaving over te gaan.

Het doel van appellant is hierdoor nog niet helemaal onbereikbaar. De ABRvS heeft wel vastgesteld dat de gemeente ten onrechte niet getoetst heeft aan het Bouwbesluit 2012. Dit besluit bevat ook bepalingen die normen stellen aan de staat van een bouwwerk, open erf en/of terrein; voornamelijk dat deze geen gevaar of hinder mag opleveren. De ABRvS past in deze procedure de zogenaamde bestuurlijke lus toe. De gemeente krijgt daardoor de kans om haar beslissing op bezwaar opnieuw te motiveren, waarbij zij dus nu wél dient te toetsen aan deze normen uit het Bouwbesluit 2012.

Zie: ABRvS 2 april 2014, nr. 201306314/1/A1

« Vorige paginaVolgende pagina »